Hoofdstuk 2: Hegel's Itinerary
In dit hoofdstuk vertelt Taylor ons over de ontwikkeling van de jonge Hegel. Uiteindelijk worden er vier grote verandering gesignaleerd die de overgang van de jonge naar de volwassen Hegel markeren.
1 (pp. 51-64)
Hoofdstuk 1: Aims of a New Epoch (vervolg)
3 (pp. 29-36)
Een andere reactie tegen de objectificatie van de Verlichting was op het morele vlak. Voor de Verlichting kan het menselijk handelen causaal verklaard worden; maar voor hen die geloofden in radicale vrijheid was dit een onmogelijk standpunt. De mens moest ook tegen alle causale inclinaties in voor het goede kunnen kiezen. De grote figuur in dit verband is Immanuel Kant, voor wie het veilig stellen van het radicaal vrije morele subject een belangrijk doel was.
Hoofdstuk 1: Aims of a New Epoch
Hegel behoorde tot de "Romantische" generatie, al was hij een criticus van de Romantici, en dat betekent dat hij gepreoccupeerd werd door een bepaalde ideeën die hij met zijn tijdgenoten deelde. Daar gaat Taylor in dit eerste hoofdstuk naar kijken. De belangrijkste gebeurtenis van deze tijd was de Franse Revolutie, die in de generatie van Hegel tot enthousiasme en vervolgens tot verbaasde afschuw leidde; hiermee in het reine te komen was een belangrijke opgave voor deze generatie. Het belangrijkste theoretische probleem van de tijd was de aard van het subject en de relatie tussen subject en wereld--een probleem dat eruit bestond dat twee schijnbaar incompatibele ideeën over de mens samengevoegd moeten worden.
Habermas probeert Marx en Freud te generaliseren door hun denken in een meer omvattende theorie te plaatsen. Lyotard is hier sceptisch over, omdat Habermas hiermee alleen maar een nieuw meta-verhaal opstelt, terwijl Lyotard alle meta-verhalen afwijst. Aan de andere kant heeft Habermas het idee dat deze kritiek op meta-verhalen, het opgeven van het idee van universaliteit, neerkomt op het verraden van de sociale hoop van het liberale democratische project.
Martin Heidegger, Milan Kundera en Charles Dickens in één artikel geschreven door Richard Rorty--wat kan je nog meer willen? Zoals wel vaker begint Rorty met een gedachtenexperiment. Stel dat het Westen zichzelf vernietigt, het overlevende deel van de wereld een "ruthless campaign of de-Westernization" doorvoert, en dat dan over een paar honderd jaar mensen in Afrika proberen aan de hand van wat terug te vinden artefacten erachter proberen te komen wat het Westen was. Als er filosofen onder hen zijn, zullen deze op zoek gaan naar de essentie van het Westen.
Stel dat Hitler de oorlog had gewonnen en dat de nazi's tot 1989 aan de macht waren gebleven. Stel verder dat ze veel meer dan werkelijk het geval was op Nietzsche hadden geleund, en iedereen vijftig jaar lang hadden volgepompt met de filosofie van het Nietzscheanisme-Hitlerisme. Zouden wij dan nu niet even genoeg hebben van Nietzsche? Op diezelfde manier, zegt Rorty, hebben Oost-Europese intellectuelen wel even genoeg van Marx. En trouwens, de gemiddelde linkse intellectueel in Engeland of Amerika heeft ook weinig interesse in zijn werk.
In dit artikel betoogt Rorty dat de jonge Wittgenstein nog vastzat in een metafysisch beeld van taal, terwijl de jonge Heidegger daar al grotendeel vanaf was; maar dat Wittgenstein zichzelf steeds meer bevrijd heeft, terwijl Heidegger steeds verder is terug gezakt, zodat de late Wittgenstein wat dit betreft ver boven de late Heidegger valt te prefereren.
In dit korte artikel illustreert Rorty zijn private/public-onderscheid aan de hand van Michel Foucault, die daar inderdaad erg geschikt voor is. Er zijn twee Foucaults, zegt Rorty: de Amerikaanse Foucault die autonomie in puur menselijke termen wil begrijpen en een liberaal is, en de Franse Foucault die denkt dat autonomie inhoudt dat je onmenselijke gedachten denkt en een anarchist is. Deze twee Foucaults corresponderen met twee verschillende motieven die hij had.
Na Philosophy as a Kind of Writing en Deconstruction and Circumvention nog een essay van Rorty over Derrida (en er komen er meer). Ditmaal reageert hij op kritiek van Christopher Norris, die claimt dat Rorty de argumentatieve dimensie van Derrida niet voldoende aandacht heeft gegeven.