Fantasy & SF

warning: Creating default object from empty value in /home/victor/public_html/modules/taxonomy/taxonomy.pages.inc on line 33.

Charles Dickens, "A Christmas Carol" (1843)

A Christmas Carol is natuurlijk dusdanig bekend dat je bijna niet aan het boek kan beginnen zonder een idee te hebben van wat er gaat volgen. De naam van de hoofdpersoon, Scrooge, is synoniem geworden met iemand die zo vrekkig is dat hij niet van het leven kan genieten en volkomen gesloten is voor elke vorm van echt menselijk contact. En dan komen er op kerstavond geesten naar hem toe die hem zijn verleden, heden en toekomst laten zien, totdat hij in tranen zijn leven betert en een vrijgevige, gulle en aardige man wordt.

Ursula K. LeGuin, "The Left Hand of Darkness" (1969)

Ursula LeGuin heeft een enorme reputatie als auteur van literaire fantasy en sciencefiction, een reputatie die, als mijn impressies kloppen, met name gebaseerd is op de Earthsea-serie en op The Dispossessed en The Left Hand of Darkness. Dit laatste boek is een sciencefiction roman die erg bekend is vanwege de manier waarop gender en seksualiteit zijn uitgewerkt: op de planeet Gethen (of Winter), waar het boek speelt, bestaan geen mannen en vrouwen. Iedereen is hermafrodiet.

Terry Pratchett, "Mort" (1987)

Ooit -- we hebben het dan over de periode dat ik rond de vijftien à zestien jaar oud was, schat ik -- was ik een ontzettend fan van Terry Pratchett. Op vakantie in Engeland liep ik twee keer per week een boekhandel binnen om mijn zakgeld uit te geven aan nog een Pratchett, aangezien ik de aankoop van een paar dagen eerder al weer uit had. Zijn humor vond ik heerlijk, dat spreekt voor zich. Maar het was meer dan dat.

Michael Moorcock, "The Golden Barge" (1958/1979)

The Golden Barge is een jeudgwerk van de redelijk succesvolle fantasyschrijver Michael Moorcock (1939). Hoewel het in 1958 is geschreven, werd het pas veel later, in 1979, gepubliceerd in een mooie uitgave met glimmende kaft en een voorwoord van M. John Harrison.

Gene Wolfe, "The Knight" (2004)

De schrijver van fantasy, meer dan de schrijver van enig ander soort literatuur, ziet zich geconfronteerd met de taak om het oude nieuw te maken. Immers, de ingrediënten waarmee hij werkt zijn genres en motieven die al duizenden jaren onze verbeelding beheersen -- qua genres het epos, de mythe, het sprookje; qua motieven de queeste, de held, de confrontatie met het monster, de relatie tussen het magische en het werkelijke. Wie fantasy schrijft duikt per definitie diep in de geschiedenis van de literatuur, van de mensheid, wellicht van de menselijke psyche zelf.

Arthur Conan Doyle, "The Lost World" (1912)

Arthur Conan Doyle is zó bekend van zijn verhalen over Sherlock Holmes dat zijn andere literaire werken daarbij in de schaduw staan. Van de rest van zijn oeuvre schijnen de drie romans en twee korte verhalen over professor Challenger nog het bekendst te zijn; en dit boek, The Lost World, is de eerste van die romans.

Isaac Asimov, "Foundation / Foundation and Empire / Second Foundation" (1942-1953)

De originele Foundation-trilogie is wellicht het bekendste werk van Asimov, die zelf wellicht de bekendste sciencefictionschrijver van de twintigste eeuw is -- of was. Ik kan me goed voorstellen dat zijn ster zal dalen en ook al gedaald is ten opzichte van eerdere en latere schrijvers; dat Asimov iemand is die op een bepaald moment een grote invloed heeft gehad, maar die invloed niet voor de eeuwigheid behoudt.

Jonathan Swift, "Gulliver's Travels" (1726)

Dat Gulliver's Travels het ooit tot kinderboek en inspiratie voor kinderfilms heeft geschopt is iets waar de lezer van het boek zich enkel over kan verbazen. Swifts satire op politiek, oorlog, wetenschap, religie, en op menselijke dwaasheden in het algemeen, moet voor kinderen volstrekt onbegrijpelijk zijn; en alleen door vrijwel alles eruit te laten, en de paar details die overblijven zelf opnieuw uit te werken, kan er jeugdliteratuur van gemaakt worden.

William Shakespeare, "A Midsummer Night's Dream" (rond 1595)

A Midsummer Night's Dream is een van de weinige stukken waarvan Shakespeare het verhaal zelf geschreven schijnt te hebben. Het resultaat is een vreemd allegaartje van Griekse mythologie, volstrekt niet mythologische Atheense liefdespaartjes, elfjes, en een groep maffe ambachtslieden met nogal Engelse namen. Maar niet alleen is dat geen enkel bezwaar in de droomwereld van deze midzomer, het geeft Shakespeare de mogelijkheid om te spelen met die vreemde combinaties.

Robert Louis Stevenson, "The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde" (1886)

Dr. Jekyll and mr. Hyde zijn niet meer slechts romanfiguren, maar vormen een uitdrukking die we gebruiken om aan te geven dat iemand zowel een goede als een slechte kant heeft. Dat heeft een nadeel en een voordeel voor het boek van Stevenson. Het nadeel is dat het centrale element van het plot, namelijk dat Jekyll en Hyde dezelfde persoon zijn, al van tevoren bekend is. Nu zou dat niet erg hoeven zijn, maar Stevensons boek probeert overduidelijk spanning op te bouwen door ons een mysterie voor te schotelen.

Syndicate content