Religie

warning: Creating default object from empty value in /home/victor/public_html/modules/taxonomy/taxonomy.pages.inc on line 33.

Paul Tillich, "The Courage to Be" (1952), hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6: Moed en transcendentie (de moed om te aanvaarden dat men aanvaard wordt)

Moed is zelfbeaming van het zijn ondanks het feit van het niet-zijn, en volgens Tillich betekent dit dat deze moed een kracht nodig heeft die die van het niet-zijn te boven gaat. (Uiteraard gebruikt hij de term kracht hier niet fysisch maar als analogie, zoals volgens hem alle ontologie analogie is.) Dit betekent dat de ware moed geworteld moet zijn in een zijnsangst die het eigen zelf en de eigen wereld te boven gaat.

Paul Tillich, "The Courage to Be" (1952), hoofdstukken 4 & 5

In de laatste drie hoofdstukken van zijn boek zal Tillich een ietwat Hegeliaanse procedure volgen. Eerst krijgen we een hoofdstuk over de moed deel te zijn van een geheel; dan een hoofdstuk over de moed onszelf te zijn; en vervolgens als synthese een hoofdstuk over hoe de limieten van de vorige twee worden getranscendeerd in de religieuze moed om te zijn. De menselijke zelfbeaming heeft namelijk twee kanten: de beaming van het zelf als een zelf; en de beaming van een wereld waar dat zelf toe behoort.

Paul Tillich, "The Courage to Be" (1952), hoofdstukken 2 & 3

Hoofdstuk 2: Zijn, niet-zijn en angst

Moed is zelfbeaming ondanks hetgeen erop gericht is het zelf te verhinderen zich te beamen. We zien dat hier het "niet-zijn" een rol speelt, en moeten ons afvragen hoe we dit lastige en duistere begrip kunnen begrijpen en wat de relatie van zijn en niet-zijn is. Ontologie kan altijd alleen maar door middel van beeldspraak en analogie, aldus Tillich, en daarom komt hij ook in dit geval met een beeldspraak:

Paul Tillich, "The Courage to Be" (1952), hoofdstuk 1

In dit relatief toegankelijke boekje gaat Paul Tillich met een combinatie van existentialistische filosofie, theologie en cultuurgeschiedenis het thema "moed" te lijf. De algemene structuur is als volgt. In het eerste hoofdstuk, Zijn en moed, wordt een historische inleiding over moed gegeven aan de hand van onder andere Plato, Thomas, de Stoa, Spinoza en Nietzsche. Het tweede hoofdstuk, Zijn, niet-zijn en angst geeft ons een ontologische analyse van angst, en daarmee tot op zekere hoogte van moed.

Harold Bloom, "Jesus and Yahweh: The Names Divine" (2005)

Weinig schrijvers zijn zo lastig samen te vatten als Harold Bloom, wat tegelijkertijd zijn speciale charme en zijn grootste zwakheid aanduidt. Blooms boeken, en zeker zijn latere boeken, zijn geen doorwrochte analyses, geen verhalen met kop en staart, en zeker geen series argumenten die naar duidelijke conclusies toewerken. Het zijn teksten vol zijwegen, waar elke inval een plaats lijkt te hebben gekregen en waar geen meesterplan aan vooraf is gegaan of zelfs maar na afloop aan toe is gevoegd. Bloom is nooit saai; maar hij is altijd warrig. Waarom hem dan toch lezen?

Philip Yancey, "The Jesus I Never Knew" (1995)

Zelf zou ik niet snel op het idee zijn gekomen een bestseller van een Amerikaanse evangelische auteur te lezen, maar ik had het boek gekregen, en er moet gezegd worden dat het me zeker niet tegen is gevallen. Yancey probeert zo weinig mogelijk te oordelen en zijn publiek zo breed mogelijk aan te spreken -- in ieder geval alle christenen mogen meedoen, en meestal lukt het hem ook om respectvol te zijn naar andere geloven.

Henri Nouwen, "Eindelijk thuis" (2002)

In Eindelijk thuis analyseert Nouwen de parabel van de verloren zoon (Lucas 15:11-32) om hiermee zowel zijn eigen levensloop en geestesgesteldheid als de algemene relatie tussen mens en God te verhelderen. Naast de passage uit Lucas staat hierbij het schilderij dat Rembrandt over deze parabel schilderde centraal. Het schrift en de schildering worden niet zozeer met elkaar vergeleken, als wel gebruikt om elkaar te versterken.

Olaf Stapledon, "Star Maker" (1937)

Ik houd van boeken die anders zijn dan andere boeken; en zelden zal je een boek lezen dat daar zo goed aan voldoet als Star Maker. Dat ik het heb ingedeeld in de categorieën "roman", "fantasy & SF", "filosofie" én "religie" is daar al een indicatie van. Het is het allemaal, en het is het allemaal niet. Maar laten we bij het begin beginnen.

Oscar Wilde, "De Profundis" (1897)

De Profundis is de titel die nu meestal gegeven wordt aan de zeer lange en zeer mooie brief die Oscar Wilde in 1987 schreef aan zijn voormalige vriend Bosie (Lord Alfred Douglas). Op dat moment zat Wilde in de gevangenis, waartoe hij was veroordeeld wegens vermeende homoseksuele contacten met deze Bosie; die hem vervolgens vrijwel niets meer heeft laten horen.

C. S. Lewis, "The Lion, the Witch and the Wardrobe" (1950)

Dit is het beste boek van C. S. Lewis dat ik heb gelezen. Nu zegt dat vrijwel niets, want Mere Christianity was verschrikkelijk en The Screwtape Letters nog veel erger. Waarom dan eigenlijk nog een boek van Lewis lezen?, vraagt u zich af. Ik had mijn tijdlijn van moderne fantasy aangepast, en een vriend wees me erop dat Lewis er niet op stond. Onterecht, gezien zijn populariteit. Was ik Lewis vergeten, of had ik hem er niet opgezet uit een onderbewuste afkeer?

Syndicate content