Op twaalfjarige leeftijd besluit Cosimo, oudste zoon van de lokale baron, na een ruzie aan tafel over een bord slakken zijn eigen weg te gaan: vanaf nu gaat hij in de bomen wonen. Zo gezegd zo gedaan, en elke hoop die zijn ouders hebben dat hij er na een paar dagen wel genoeg van zal hebben is ijdel. Cosimo zal de rest van zijn leven in bomen wonen (hoewel hij wel eens op een muur, in een paal, in een mast, of eenmaal op laken stapt, en overigens gigantische afstanden kan overbruggen door van boom naar boom te springen). Een bizar gegeven, zoals we dat van Calvino mogen verwachten.