Van Marlowe, de iets oudere tijdgenoot van Shakespeare die op jonge leeftijd onder mysterieuze omstandigheden stierf, had ik niet eerder iets gelezen. Nu dus The Tragical History of the Life and Death of Doctor Faustus--niet de eerste versie van het Faust-verhaal, maar voor zover ik weet wel de eerste van literair belang. Ik las dit werk in de reconstructie van W. W. Greg (Oxford University Press, 1950). Het reconstrueren is nodig omdat we twee verschillende versies overgeleverd hebben gekregen, die waarschijnlijk geen van beide helemaal overeenkomen met Marlowe's uiteindelijke intenties.
De grote lijnen van het verhaal zullen bekend zijn: Faust verkoopt zijn ziel aan de duivel, krijgt in ruil daarvoor 24 jaar Mephastophilis als dienaar, en zal daarna sterven en naar de Hel gaan. Hoe gaat dat in zijn werk?
Het stuk begint met Faust in zijn studeerkamer, terwijl hij vertelt hoe geen van de wetenschappen hem heeft kunnen geven wat hij wilde. Wel heeft hij met medicijnen al velen, zelfs hele steden, gered, maar:
Yet art thou still but Faustus, and a man.
Waar Faust bang voor is, is helder.
Ay, we must die an everlasting death.
Nu hoeft dat in de kosmologie van het stuk natuurlijk juist niet, aangezien God redding kan geven en een eeuwig leven mogelijk maakt; maar daar denkt Faust niet bij na. Mijn theorie is dat hij enkel op hyperbolische wijze over zichzelf kan nadenken: telkens wanneer zijn gedachten gaan over Faust, komen ze vol van overdrijvingen en van het beeld van Faust zelf als een meer dan menselijke macht. En dus komt het niet eens in hem op dat de redding kan liggen in zoiets simpels als zich aan God wijden--nee, de redding moet liggen in iets groots, heldhaftigs, wereldomspannends. Weliswaar zegt Faust dat het hem gaat om rijkdom, eten, kennis, macht, maar volgens mij gaat het hem in de volgende passage enkel om de overdrijving zelf als retorische figuur:
I'll have them fly to India for gold,
Ransack the ocean for the orient pearl,
And search all corners of the new-found world
For pleasant fruits and princely delicates.
I'll have them read me strange philosophy
And tell the secrets of all foreign kings;
I'll have them wall all Germany with bress
And with swift Rhine circle fair Wittenberg; ...
Het gaat hem om de overdrijving, dat wil zeggen, om het grootse en overweldigende en om de mogelijkheid zichzelf als centrum daarvan te zien. Zodra Faust over zichzelf denkt heeft hij de beschikking over de krachtige retoriek; zodra hij niet meer over zichzelf wil denken verliest hij ook zijn verbale kracht. Hier komen we op terug.
Faust nodigt twee beruchte tovenaars uit, die hem uitleggen hoe hij een duivel moet oproepen. "This night I'll conjure, though I die therefor." roept Faust, enthousiast, en hij gaat aan de slag. En het luk--Mephastophilis komt, in een lelijke vorm; Faust draagt hem op zich als priester te verkleden, zodat hij er tenminste een beetje uitziet, en Mepha doet dit. Faust is blij:
Such is the force of magic and my spells.
Maar dit idee, dat Faust de onderwerping van de duivel aan zijn eigen krachten te danken heeft, wordt door Mepha al snel tegengesproken.
MEPHA: No, I came hither of mine own accord.
FAUST: Did not my conjuring speeches raise thee?
MEPHA: That was the cause, but yet per accidens:
For when we hear one rack the name of God,
Abjure the scriptures and his saviour Chirst,
We fly in hope to get his glorious soul;
... Therefore the shortest cut for conjuring
Is stoutly to abjure the Trinity
And pray devoutly to the prince of Hell.
Faust denkt hier verder geen seconde over na, maar het geeft precies weer dat Faust vanaf nu niets meer aan zichzelf te danken zal hebben. Alles wat hij in de rest van het stuk kan, kan hij door de duivel; niets kan hij uit zichzelf. Aangezien zelfs het oproepen van de duivel niet moeilijk was, heeft hij dus niet aan zichzelf te danken, kan hij nergens trots op zijn. Samen met het feit dat hij, wanneer hij zijn ziel eenmaal verkocht heeft, niet meer over zichzelf na wil denken en alleen nog maar de verdoemenis wil vergeten, verklaart dit waarom hij zich geheel op onzinnige pleziertjes en entertainment zal gaan storten.
Zover zijn we nog niet. In één van de meest bekende passages van het stuk vraagt Faust aan Mepha hoe het eigenlijk komt dat hij op Aarde kan verschijnen:
FAUST: Where are you damned?
MEPHA: In Hell.
FAUST: How comes it then that thou art out of hell?
MEPHA: Why this is hell, nor am I out of it.
Thinkst thou that I, who saw the face of God
And tasted the eternal joys of heaven,
Am not tormented with ten thousand hells
In being deprived of everlasting bliss?
Wat ons opvalt is dat Mephastophilis geen blad voor de mond neemt over hoe verrot de Hel is, en in zekere zin Faust zelfs lijkt te waarschuwen tegen het verkopen van zijn ziel; en verder, dat Mephastophilis juist wanneer hij over zichzelf spreekt hetzelfde hyperbolische taalgebruik aanneemt dat eigen is aan Fausts zelfreflectie. De hyperbool is het instrument van de verdoeming, zoals wanneer Faust zegt:
Had I as many souls as there be stars
I'd give them all for Mephostophilis.
By him I'll be great emperor of the world, etc.
Op hilarische wijze vertelt Faust Mepha dat hij zich niet zo moet aanstellen over hoe erg de Hel is, en, sterker nog, dat de Hel helemaal niet bestaat! (Net nadat hij het contract heeft ondertekend vraagt hij oprecht verbaasd aan Mepha: "Why, dost thou think that Faustus shall be damned?") Mepha weet wel beter:
Hell hath no limits, nor is circumscribed
In one self place, but where we are is hell
een les die Miltons Satan later probeert om te keren, in een moment van sublieme zelfdeceptie:
The mind is its own place, and in itself
Can make a Hell of Heaven, a Heaven of Hell.
Faust doet dus alsof hij niet in de Hel gelooft, maar ondertussen knaagt er toch iets aan zijn ziel; hij twijfelt, en bekeert zich bijna. Maar dan komt er weer een hyperbolisch beeld in hem op dat hem meesleept richting de ondergang:
Ay, and Faustus will turn to God again.
To God! He loves thee not:
The god thou servest is thine own appetite,
Wherein is fixed the love of Beelzebub:
To him I'll build an altar and a church
And offer lukewarm blood of new-born babes.
Iets dergelijks gebeurt nog een aantal maal, hoewel op een gegeven moment Lucifer in hoogst eigen persoon eraan te pas moet komen om Faust niet to inkeer te laten komen--met de briljante opmerking, verwijzend naar het contract dat Faust heeft getekend: "Christ cannot save thy soul, for he is just". Faust laat zich overreden, en om zijn geest rust te gunnen laat Lucifer de zeven doodzonden een toneelstukje opvoeren. Dit zal de rest van het stuk door de strategie van de duivels zijn, waar Faust in meegaat: niemand wil dat Faust over het lot van zijn ziel nadenkt, en dus gaan ze zijn aandacht afleiden met allerlei zinsgenot, flauwe spelletjes, enzovoorts. Van alle grootse plannen van Faust blijft weinig over. Hoe verder het stuk vordert, hoe meer hij zich gaat gedragen als een ordinaire clown, op zoek naar mensen die hem bewonderen, op zoek naar dingen die zijn aandacht kunnen afleiden. Hij laat zich onzichtbaar maken en slaat de paus; hij neemt wraak op een ridder die hem minacht; hij licht een paardenkoper op; hij doet wat goocheltrucs voor koningen en andere edelen. Alles bij elkaar stelt het niets voor, en de vierentwintig jaar gaan voorbij zonder dat Faust ook maar het minste bereikt. Zijn motto:
Whilst I am here on earth let me be cloyed
With all things that delight the heart of man.
Toch is er twijfel, bijvoorbeeld in IV.v:
What art thou, Faustus, but a man condemned to die?
Hij beseft dat zijn oorspronkelijke doel, onsterfelijk worden, absoluut niet dichterbij is gekomen. In tegendeel, de "fatal time" is bijna gekomen... maar, zegt Faust, Jezus heeft zelfs nog een dief op het kruis gered. In plaats van daar iets mee te doen valt hij in slaap en leeft zijn lauwe leven verder.
Dan komen we bij de laatste uren van zijn leven. Een oude man probeert hem nog te redden:
Though thou hast now offended like a man,
Do not persever in it like a devil.
Er is nog hoop! Maar Faust, o Faust, nadat hij zijn tijd heeft verdaan met zich aan Helena te vergapen, valt weer in de val van de hyperbool. Zich tot God keren?
But Faustus' offence can ne'er be pardoned: the serpent that tempted Eve may be saved, but not Faustus.
Zelfs zijn goede engel geeft het op:
And now, poor soul, must thy good angel leave thee;
The jaws of hell are open to receive thee.
En Faust leert niets, springt van hyperbool naar hyperbool, vraagt de tijd om stil te staan, de bergen om hem te begraven, zijn ziel om in druppels uiteen te vallen, en tussen al dat verbale geweld komt de mogelijkheid om zich in zichzelf te keren en om vergeving te vragen niet bij hem op als iets werkelijks.
En zo eindigt de tragische geschiedenis van het leven en de dood van Doctor Faustus.