Volgens Bloom is de ware vraag van de canon deze:
What shall the individual who still desires to read attempt to read, this late in history? (p. 15)
en hij wijst erop dat een leven niet meer lang genoeg is om alles te lezen wat zeer goed is in de Westerse traditie. Daar zit natuurlijk veel in; als lezers moeten wij uiterst selectief zijn. Het probleem van een slecht boek is niet dat het moreel verwerpelijk is om een slecht boek te schrijven of te lezen, maar dat het lezen van dat slechte boek het onmogelijk maakt om een (zij het onbepaald) goed boek te lezen.
Moraal en canonieke literatuur zijn voor Bloom sowieso heel verschillende dingen.
[T]he new commissars tell us that reading good books is bad for the character, which I think is probably true. (p. 15)
Het was, zegt Bloom, een fout om te denken dat literaire kritiek een basis kan vormen voor democratische opvoeding of een verbetering van de maatschappij. Waar het om gaat in het lezen van literatuur is een "highly individual" "experience upon the heights"; de reden dat wij canonieke literatuur lezen in plaats van gemakkelijke literatuur is dat wij geleerd hebben het moeilijke plezier (welke ook een vorm van pijn is) te waarderen.
Vreemd genoeg privilegieert Bloom echter een bepaalde groep lezers, namelijk de sterke auteurs. De canon wordt volgens hem gekozen door
late-coming authors who feel themselves chosen by particular ancestral figures. (p. 19)
hoewel die formulering al aangeeft dat kiezen eigenlijk niet het juiste werkwoord is. Jij kiest de canon niet, de canon kiest jou. En de canon als historisch gegeven is dan datgene waar Blooms privilege op van toepassing is: want de individuele lezer die zelf niets overdraagt draagt niet bij aan historische canon-formatie, en de schrijvers wel. (Maar waarom dan de schrijvers, en niet bijvoorbeeld de onderwijzers of de reclamemensen?)
Wat de canon daarom niet is en niet kan zijn is een door een bepaalde sociale klasse gecreëerd construct ten behoeve van de macht van die klasse; de canon is niet "cultureel kapitaal" a la Bourdieu. Waarom niet? Omdat de sterke schrijver weliswaar best een sociale klasse kan vertegenwoordigen of ophemelen (zoals Pindaros de aristocratie ophemelt), maar uiteindelijk zijn werk ziet als iets dat geen enkele sociale of andere rechtvaardiging nodig heeft. Grote literatuur "will insist upon its self-sufficiency" (p. 27), ten opzichte van alles:
the strong poem, by definition, refuses to be contained, even by Dante's or Milton's God. (p. 27.)
Bloom wijst er ook ergens op dat geen enkele buiten-esthetische verklaring ons kan vertellen waarom Shakespeare, en niet bijvoorbeeld Ben Jonson, het centrum van de canon is. Om canoniek te worden moet je geen nuttige literatuur schrijven, maar moet je esthetische kracht hebben, en dat wil zeggen:
mastery of figurative language, originality, conginitive power, knowledge, exuberance of diction. (p. 28.)
De ultieme test voor de theorie van Bloom lijkt me of Max Havelaar wel of niet uit de uiteindelijke canon zal vallen. Waarbij ik uiteraard bedoel dat het er wel uit moet vallen om Blooms gelijk te bewijzen.
Canonieke literatuur heeft dus niet primair een sociale functie. Het maakt ons geen betere mensen, het ordent de staat niet, het is geen machtsmiddel van de heersende klasse.
Reading deeply in the Canon will not make one a better or worse person, a more useful ormore harmful citizen. The mind's dialogue with itself is not primarily a social reality. All that the Western Canon can bring ons is the proper use of one's own solitude, that solitude whose final form is one's confrontation with one's own mortality. (p. 28.)
In het lezen van een werkelijk goed boek spreken de doden tot ons, maar de stem van de doden is onze eigen stem--dat is de steeds opnieuw verrassende ontdekking. Wat dus niet primair een sociale realiteit is, is dat secundair wel degelijk. Ons Zelf bestaat namelijk nooit op zich, maar altijd al in een traditie geworpen en in een uitwisseling met de Ander geconstitueerd. Het lezen van een canoniek boek is het voortzetten van die Zelf-scheppende uitwisseling, maar dan met de doden. Dit brengt Bloom ertoe te zeggen dat:
The Canon [...] is the minister of death. (p. 30.)
Hoewel, en dat vind ik dan weer mooi, hij zelf prefereert--tegen Paul de Man en Heidegger--om de tekst analoog te zien aan een geboorte, niet aan een dood,
an analogy that would connect texts as infants are connected, voicelessness linked to past voices, inability to speak linked to what had been spoken to, as all of us have been spoken to, by the dead. (p. 30.)