Harold Bloom, "The Western Canon" - Proloog

Je wordt bij Harold Bloom altijd een beetje moe van zijn eindeloze klachten over de "Resenters", dat wil zeggen, die literatuurcritici die denken dat het belangrijker is dat een boek "sociaal relevant", "moreel goed" of "geschreven door een vrouw" is, dan dat het boek goed is. Die klachten zijn ongetwijfeld terecht, maar wat maakt mij de toestand op de Amerikaanse universiteit uit? Ook in The Western Canon komt Bloom regelmatig met verhalen hierover, maar ditmaal is het beter te verkroppen: zijn verhaal gaat immers over de canon, en de aard en mogelijkheid van de canon, en daarvoor is deze discussie nu eens relevant.

Wat leuk is aan Bloom is dat hij je altijd erg enthousiast weet te maken om zeer goede schrijvers te gaan lezen--en dat kan eigenlijk niet vaak genoeg gebeuren, want hoe gemakkelijk stellen wij onszelf niet tevreden met gemakkelijk vermaak? Daarnaast staan er in zijn wijdlopige en zich herhalende verhalen vaak ook erg interessante gedachten, en daar zal ik er nu eens wat van citeren. (Deze karakterisering geldt voor het latere, meer populaire werk van Bloom. The Anxiety of Influence en A Map of Misreading zijn het tegenovergestelde van wijdlopig en zich herhalend.)

When you read a canonical work for a first time you encounter a stranger, an uncanny startlement rather than a fulfillment of expectations. (p. 3.)

Dit is ontzettend waar. Als er iets is waar ik niet tegen kan, dan is het een boek dat ik van tevoren al kan voorspellen; dat net zo is als heel veel andere boeken. Ik heb het dan niet noodzakelijkerwijs over het verhaal: ook de onverwachte plot twist kan onderdeel van een formule zijn, hoewel dat niet het geval hoeft te zijn. Zo is bijvoorbeeld de onverwachte plot twist in Grunbergs Tirza tegelijkertijd een breuk met het soort roman dat het boek tot dan toe is geweest, en in de tweede helft komt het boek ineens een stuk dichter bij canonieke vreemdheid dan in de eerste helft (die ik slechts met moeite kon lezen).

Bij het lezen van de klassieken heb ik inderdaad telkens opnieuw verbazing gevoeld, wanneer bleek dat de werken heel anders waren dan ik me had voorgesteld. Drieduizend jaar werking op de Westerse cultuur heeft Homeros nog steeds niet gewoon gemaakt.

Laten we ons ten tweede realiseren dat een vreemdeling altijd tegelijkertijd vreemd is, en eigen. De ontmoeting met een vreemde is daardoor een schok, dat we onszelf herkennen in iets waarvan we de mogelijkheid nog niet eerder hadden vermoed. Zo is het ook met een boek. We horen onszelf spreken met een stem die we nooit hebben gekend.

One mark of an originality that can win canonical status for a literary work is a strangeness that we either never altogether assimilate, or that becomes such a given that we are blinded to its idiosyncrasies. (p. 4.)

Bloom noemt Shakespeare als representant van dat laatste, en daarna de Jahwist--maar ook de Bijbel en ook Shakespeare komen mij buitengewoon vreemd voor. Of deze tegenstelling er werkelijk is vraag ik me dus af; eerder sluiten we de ogen (en worden zo blind) voor een vreemdheid waarvan we niet willen geloven of niet kunnen aanvaarden dat deze bestaat. Overigens geeft Bloom zelf het beste argument voor de vreemdheid van de Bijbel, wanneer hij het werk van de Jahwist als volgt beschrijft:

J's Yahweh is human--all too human: he eats and drinks, frequently loses his temper, delights in his own mischief, is jealous and vindictive, proclaims his justness while constantly playing favorites, and develops a considerable case of neurotic anxiety ... By the time he leads that crazed and suffering rabblement through the Sinai wilderness, he has become so insane and dangerous, to himself and to others, that the J writer deserves to be called the most blasphemous of all authors ever. (p. 5)

Als dat de canonieke vreemdheid van de Bijbel niet bewijst, dan bewijst niets het!

Naast de vreemdheid van het canonieke legt Bloom in de proloog ook zijn ideeën over literaire invloed uit, ideeën die essentieel zijn voor zijn conceptie van de canon.

[T]he aesthetic and the agonistic are one, according to all the ancient Greeks, and to Burckhardt and Nietzsche, who recovered this truth. (p. 6)

Tradition is not only a handing-down or process of bening transmission; it is also a conflict between past genius and present aspiration, in which the prize is literary survival or canonical inclusion. (p. 8)

We komen hier later nog over te spreken.