Homeros, “Odysseia”

Zo, even het werk van Homeros er doorheen gejaagd; een paar dagen geleden de Ilias in de vertaling van M. A. Schwartz, nu de Odyssee, in de vertaling van Imme Dros.

De Ilias en de Odyssee verschillen meer dan ik dacht. Dat kan natuurlijk komen door het verschil in vertaling--Schwartz is veel plechtiger--maar dat is het zeker niet alleen. De Ilias beschrijft grootse, aan elkaar gewaagde helden die om eer en roem strijden in een gevecht waarin zo nu en dan zelfs de goden gewond raken, en waarin eigenlijk iedereen de hele tijd uitblinkt in heldhaftigheid; en het verhaal dat centraal staat is uiterst tragisch, met verblinding, noodlot, en de dood van enkele van de tofste helden als kernpunten. De Odyssee daarentegen heeft een veel minder verheven thema: weliswaar komt Odysseus op zijn reis naar huis allerlei verschrikkelijke gevaren tegen die hij moet doorstaan, maar een erg klassieke held is hij niet; bovendien heeft hij de meeste onheil aan zichzelf en/of zijn manschappen te wijten. Eenmaal thuis slacht hij met behulp van zijn zoon Telemachos--die niet laf of zwak is, maar ook niet erg uitblinkt--, een varkenshoeder, een koeienherder en een oude slavin een groep verwijfde vrijers af. Niet echt een groot staaltje voor de man die wij in de Ilias hebben leren kennen!

Alle gevaren die Odysseus op zijn tocht tegen komt kende ik wel, niet in de laatste plaats omdat ik ooit als kind Evert Hartmans bewerking van de Odyssee heb gelezen, De Vloek van Polyfemos, maar wat ik niet wist is dat deze maar een zeer klein stuk van het boek vormen--misschien een vijfde; we krijgen dit allemaal te horen van Odysseus zelf wanneer hij de lui die hem terug naar huis zullen brengen over zijn zwerftochten vertelt. Het grootste deel van het boek speelt zich af op Ithaka, het thuiseiland van Odysseus. Hier vinden we eerst Telemachos, die zich groen en geel ergert aan de vrijers; deze gaat vervolgens op reis om een "gezien" man te worden, een reis die overigens als enig aantoonbaar nut heeft dat Telemachos een heleboel dure geschenken krijgt van Nestor en Menelaos, bij wie hij op bezoek gaat. Vervolgens krijgen we Odysseus te zien, die zijn verhalen vertelt en thuis wordt afgeleverd. Daarna gaat nog bijna de helft van het boek over de wraak van Odysseus op de vrijers.

Dat lijkt me nu toch, na een eerste lezing, een beetje de zwakheid van het boek. Wat er allemaal nog gebeurt op Ithaka is leuk en aardig, maar het heeft niet het tragische potentieel van de Ilias. De vrijers zijn nooit erg geloofwaardig als tegenstanders van Odysseus. Niet alleen heeft Odysseus al vanaf het begin Pallas Athene en Zeus aan zijn hand, maar bovendien zijn de vrijers snoevers en pochers die zich dagelijks ongans eten en drinken, en geen aantoonbare krijgservaring hebben. Als je kijkt wat Odysseus allemaal wel niet heeft afgevochten voor Troje, dan lijkt er van eerlijke partij eigenlijk geen sprake te zijn.

Het voelt trouwens ook niet erg goed, dat slachten van die vrijers. Goed, het zijn profiteurs, en het zijn niet de aardigste mensen. Een enkeling gooit zelfs met een houte krukje naar een bedelaar (Odysseus vermomd). Ze beramen een complot tegen Telemachos, maar doen dat zo inept dat je het niet helemaal serieus kan nemen. Is dat nu een reden om ze allemaal de dood in te jagen? De dichter probeert ons er nogal hardhandig van te overtuigen dat het antwoord bevestigend is, maar ik kan me toch niet aan het idee onttrekken dat een flinke schop onder hun kont en een gepeperde rekening voor al het verorberde eten meer op zijn plaats was geweest.

Nu is slechter zijn dan de Ilias natuurlijk nog niet hetzelfde als slecht zijn, en in tegendeel valt er weer erg veel te genieten in de Odyssee. Veel van de charme van de Odyssee zit juist in het feit dat al die helden en heldendaden niet zo erg serieus zijn genomen. Zo wordt er aandacht besteed aan het soort details waar een verheven dichter liever overheen stapt. Hier bijvoorbeeld Menelaos, die vertelt over hoe hij een zeegod probeert te verrassen nadat hij zich in de huid van een zeerob verstopt heeft (wat zou daar in het Grieks gestaan hebben?):

Dat mocht met recht een hinderlaag heten, de huiden van die zeerobben hinderden ons omdat ze zo onnoemelijk stonken. (Boek 4.)

Het is ook opvallend hoe alle helden geobsedeerd zijn met geld, rijkdom, het krijgen van grote geschenken--over eer hoor je niet veel in de Odyssee, maar over geld raken ze niet uitgepraat. Hier diezelfde Menelaos, nadat Telemachos zijn rijkdommen heeft geprezen en vergeleken met die van Zeus:

Nee beste jongens, met Zeus kan geen sterveling zich ooit meten, zijn huis staat in eeuwigheid en zijn schatten vergaan niet. En wat de mensen betreft, er kan er een zijn die net zo rijk ik als ik. Of niet natuurlijk. (Boek 4.)

Hier zijn de vorsten van de Faiaken, die er niet over ophouden hoeveel goede geschenken ze Odysseus wel niet gaan geven, en dan komt er dit:

... maar geef hem ook nog een grote drievoet met ketel. Later houden wel wel een inzameling bij het volk om onze kosten te dekken. (Boek 13.)

Hier is Odysseus zelf, die in vermomming verhalen over Odysseus opdist--maar erg ver bezijden de waarheid is het allemaal niet:

Ze gaven hem mooie geschenken en hebben aangeboden hem veilig naar huis te brengen. Hij had al hier kunnen zijn, maar het leek hem veel lucratiever eerst langs allerlei landen te reizen voor gastgeschenken. Want geen mens op de wereld is zo bedacht op zijn voordeel als Odysseus, nee daarin is hij onovertroffen. (Boek 19.)

Alle helden zijn dus belust op geld, maar daarnaast hebben ze nog een eigenschap die je misschien niet zou verwachten: ze huilen voortdurend.

...soms verlicht ik mijn hart met huilen en soms treur ik in stilte: dat harde huilen helpt ook niet... (Boek 4.)

Zoals een vrouw huilt die zich op het lijk van haar man stort, die gesneuveld is voor de stad, aan het hoofd van de troepen in zijn strijd om de stad en zijn kinderen te bewaren voor de afschuwwekkende dag van de overgave--en voor haar ogen ziet ze hem stuiptrekken, ziet ze hem sterven en ze gilt uitzinnig en gooit zich op zijn lichaam, maar de vijanden achter haar porren haar met hun speren in de rug en de schouders, rukken haar overeind en sleuren haar mee als slavin, een lijdensweg voor een vrouw, haar wangen smelten weg in hartverscheurend verdriet--zo hartverscheurend waren de tranen van Odysseus. (Boek 8.)

...dus hij ging met zijn tweeëntwintig snikkende mannen op verkenning en liet ons even hard snikkend achter. (Boek 10.)

Een intense behoefte om te huilen bekroop hen en ze lieten zich gaan en jammerden, schreeuwden het uit nog harder dan roofvogels, lammergieren of adelaars als de boeren hun jongen uithalen voordat ze kunnen vliegen, nog droever waren de tranen die van hun wimpers vielen. En de zon zou nog ondergegaan zijn tijdens dat huilen, als... (Boek 16.)

Het is zelfs zo erg dat Pallas Athene in boek 23 de dageraad uitstelt om Odysseus genoeg tijd te geven om uit te huilen. Je zou willen geloven dat het een persiflage van Joshua is.

Maar het beste is waarschijnlijk nog wel Odysseus zelf, en dan het feit dat hij een pathologische leugenaar is. Niet alleen weet hij zich uit de meeste van zijn problemen te redden met behulp van listen, vermommingen en sluwe streken, maar zelfs als het helemaal niet nodig is komt hij met leugens aan. Als iedereen al weet dat hij is teruggekeerd vertelt Odysseus alsnog een onzinverhaal aan zijn oude vader wanneer deze vraagt wie hij is. Hier is Athene, nadat hij haar onzin heeft opgedist (niet wetend dat het Athene was):

"Echt, wie jou overtroeven wil, moet van goede huize komen, zelfs als God. Fantast! Verschrikkelijk schepsel! Zelfs in je eigen vaderland kun je het liegen niet laten en geen afstand doen van je geliefde verzinsels." (Boek 13.)

Dit wordt vooral grappig wanneer Odysseus--meestal vlak voordat hij weer gaat liegen--dit soort dingen zegt:

Want een man die liegt om er beter van te worden, haat ik erger dan de poorten van de Haides. (Boek 14.)

Maar hij heeft het niet van een vreemde, want hier is een beschrijving van de opa van Odysseus:

Hij was de vader van de moeder van Odysseus en had zijn gelijke niet in stelen en liegen onder ede. Een God had hem dat talent gegeven, Hermes, voor wie hij schenkels van rammen en bokken verbrandde. Daar was de God verzot op en dus bleef Hermes hem helpen. (Boek 19.)

Maar het beste is nog wel dat--misschien, ik zou het boek moeten herlezen om zeker te zijn--alle grootste avonturen van Odysseus (de cycloop, de sirenen, Skylla en Charibdis, de lotofagen, enzovoorts) alleen door Odysseus verteld worden. Ik kan me vergissen, maar ik geloof niet dat we ze ooit bevestigd horen door de dichter of iemand anders. Als dat zo is, dan kunnen we er dus vanuit gaan dat het het zoveelste verzinsel van Odysseus is, want hij doet niets anders dan verzinnen, dan liegen om er beter van te worden. Dat is best hilarisch, en uiterst subtiel van Homeros!

En het geeft extra diepte, een duistere diepte, aan de scene waarin Odysseus de schim van Achilles tegenkomt en hem vertelt dat de zoon van Achilles een grote held is:

En de schim van de kleinzoon van Aiakos, ooit zo lichtvoetig, gleed met lange passen over de graflelieweide, ingelukkig omdat ik zei dat zijn zoon een held was. (Boek 11.)

Omdat ik zei dat zijn zoon een held was. Het doet me denken aan Heart of Darkness.

The last word he pronounced was--your name.

Er komt nog een post met wat extra opvallende passages, net zoals vorige keer.