Juvenalis, "Satiren", I tot V

Het Rome van Juvenalis is het Rome van Petronius: rauw en smerig, een ketel van lusten en onlusten, een gigantische kloof tussen arm en rijk, een circus van decadentie en geweld. Maar waar Petronius een avonturenverhaal schrijft, daar geeft Juvenalis ons morele kritiek -- vaak grappig, maar boos en verongelijkt. Je krijgt een beetje het idee dat hij vooral schrijft uit ressentiment. Zelfs als hij beschrijft hoe slecht de arme man eraan toe is, lijkt dat meer uit boosheid jegens de rijke te zijn geschreven dan uit liefde voor de arme.

Hoe dat ook mag zijn, er valt hier genoeg te genieten. Satire I begint met een aanklacht tegen slechte dichters, die slappe onzin over uitgekauwde mythologie voordragen, en al die crap is voor Juvenalis eigenlijk al genoeg reden om ook te gaan schrijven:

When you find
Hordes of poets on each street-corner, it's misplaced kindness
To refrain from writing. The paper will still be wasted.

(Ik gebruik hier overigens overal de eerste editie van de vertaling van Peter Green. De tweede editie schijnt op veel punten verbeterd te zijn, maar goed, dit is nu eenmaal wat ik van De Slegte heb meegenomen!) Bovendien wordt hij er ook toe aangezet door wat hij allemaal ziet:

Why then, it is harder not to be writing satires; for who
could endure this monstrous city, however callous at heart,
And swallow his wrath?

Juvenalis in ieder geval niet, en hij is het ook niet van plan. Van mensen die rijk worden door aan te pappen met rijke weduwen ("each lover will get his cut [van de erfenis] depending on the size of his... services rendered"), via valse rechters, overspelige vrouwen (en mannen die dat niet alleen door de vingers zien maar er zelfs geld voor aannemen) en jongeren die hun hele familiefortuin uitgeven aan paarden, tot aan gifmengsters -- Juvenalis breekt zijn staf over allen. Rome is verrot nu niemand nog eerbied heeft voor deugd en afkomst, en alles alleen nog om geld draait. (Voor Juvenalis is het een schandaal dat een ex-slaaf heel rijk kan worden en daarmee een hoge sociale positie verwerft. Je moet hem een beetje zien als een sterk verarmde edelman die niets van de nouveau riche moet hebben.)

So let the Tribunes wait, and money reign supreme;
Let the Johnny-come-lately, whose feet only yesterday were white
With the chalk of the slave-market, flout his sacrosanct office!
Why not? Though as yet, pernicious Cash, you lack
A temple of your own, though we have raised no altars
To sovereign Gold ...
Still it is Wealth, not God, that compels our deepest reverence.

En dan maakt dat geld ook nog eens niet gelukkig. De rijke sterft, eenzaam, door niemand betreurd. Aan het einde van deze eerste satire komt Juvenalis nog even terug op zijn taak als satirist, en hij vertelt ons dat het tegenwoordig onmogelijk is om eerlijk te zijn en de echte slechteriken aan te vallen. Probeer je dat wel, dan loopt het slecht met je af, zoals erg grafisch duidelijk wordt in de volgende passage:

But name an Imperial favourite, and you will soon enough
Blaze like those human torches, half-choked, half-grilled to death,
Those calcined corpses they drag with hooks from the arena,
And leave a broad black trail behind them in the sand.

Daar wordt je wel even stil van.

Satire II gaat vooral in op seksuele perversies. Het begint met een aanklacht tegen de zogenaamde filosofen en moraalpredikers, die nog het meest naar hun eigen leer leven wanneer ze een portret van Aristoteles aan de muur hangen. Ondertussen houden ze zich vooral bezig met homoseksuele avontuurtjes.

Every back street swarms with solemn-faced humbuggers.
You there -- have you the nerve to thunder at vice, who are
The most notorious dyke among all our Socratic fairies?

Juvenalis neemt geen blad voor de mond; het gaat binnen de kortste keren over een "well-smoothed passage". (Aan het eind van de satire staat de zin: "A good deal more than the mind is broadened by travel." Ik vraag me af of dat er ook in het Latijn staat?!) Niet alleen is iedereen vooral met seks bezig, het is dus ook nog eens allemaal hypocrisie: een hoofdrol is weggelegd voor een advocaat die in vrijwel transparante kleding een aantal vrouwen aanklaagt voor prostitutie. Het is al zo ver, besluit Juvenalis het stuk, dat de barbaren die in verre oorden door de Romeinen overwonnen worden zich ervoor schamen dat het er in de hoofdstad van hun onderdrukker zo ontzettend vuig aan toe gaat.

In Satire III horen wij zogenaamd Umbricius, een vriend van de dichter, die heeft besloten Rome te verlaten en op het platteland te gaan wonen (waar hij zoveel kan verbouwen als honderd vegetariërs kunnen eten). Wat hij vertelt is een mengeling van schrijnende beschrijvingen van de situatie van de armen in Rome, en conservatieve en xenofobische uitbarstingen dat het allemaal de schuld is van... welnu, voornamelijk van de Grieken. Die Grieken namelijk, die kunnen liegen en vlijen als de besten:

They go into ecstacies over
Some shrill and scrannel voice that sounds like a hen
When the cock gets at her.

Geweldig. "Je klinkt als een kip" is aardig, maar "je klinkt als een kip waar de haan bovenop springt" is natuurlijk veel beter. Bovendien zijn die Grieken ook nog eens viespeuken:

... not a soul is safe
From his randy urges, the lady of the house, her
Virgin daughter, her daughter's still unbearded
Husband-to-be, her hitherto virtuous son --
And if none of these are to hand, he'll cheerfully lay
His best friend's grandmother.

Er volgt een mooi stuk over huisvesting in Rome, het instortingsgevaar en het brandgevaar waar de armen elke dag aan bloot staan. Je begrijpt dat Juvenalis gewaardeerd wordt om zijn laag-bij-de-grondse beschrijvingen van de Romeinse realiteit, bijvoorbeeld het feit dat je in de stad eigenlijk niet kan slapen:

How much sleep, I ask you, can one get in lodgings here?
Unbroken nights -- and this is the root of the trouble --
Are a rich man's privilege. The waggons thundering past
Through those narrow twisting streets, the oaths of draymen
Caught in a traffic-jam -- these alone would suffice
To jolt the doziest sea-cow of an Emperor into
Permanent wakefulness.

Bij het lopen over straat wordt je constant bijna onder de voet gelopen, als je niet wordt verpletterd onder de lading van een instortende kar, of gedood door een naar beneden vallende dakpan of kruik. Je mag van geluk spreken als je alleen de inhoud van een po op je hoofd krijgt. En als je 's nachts de straat op gaat, dan is de kans uiterst groot dat je door een of andere agressieveling in elkaar wordt geslagen -- en die jou dan vervolgens aanklaagt voor mishandeling! Nee, dan het platteland, daar is alles goed, rustig en eerlijk.

Satire IV is een nep-epische verhandeling over keizer Domitianus die met zijn raadslieden gaat besluiten wat te doen met een zeer grote vis -- hoe moet deze klaargemaakt worden? Een leuk idee, maar ik vind de uitwerking niet zo grappig. (Het mag overigens helder zijn dat Juvenalis dit nooit tijdens het leven van Domitianus gepubliceerd zou hebben!) Satire V beschrijft de onbeschofte manier waarop rijke mannen hun arme vrienden behandelen als zij ze eens te eten uitnodigen. De decadentie van de rijke doet hier enigszins aan Petronius denken, maar bij Juvenalis wordt deze steeds gecontrasteerd met wat zijn arme vrienden krijgen voorgeschoteld: keihard brood, een half ei met een garnaal erin, een rotte appel, de slechtst mogelijke wijn. Trap er niet in!, roept Juvenalis tegen één van zijn vrienden. Ga er niet heen! De rijke in kwestie zal jou nooit iets gunnen, totdat je zelf op de een of andere manier rijk wordt; en dan is het je geld dat hij respecteert, niet jouzelf. Dit soort mensen moet je afzweren, in plaats van proberen bij ze in het gevlij te komen. (Hoe kan het dan dat die Grieken uit Satire III het wel lukt?)

Opmerkelijk detail: Juvenalis klaagt erover dat de zee rond Rome wordt leeggevist!