Martin Heidegger, "Sein und Zeit" (1927), §9-13

§9

Dasein is zijn dat het om zijn eigen zijn gaat, is de nog ietwat donkere formulering van Heidegger. (Dit zouden we existentialistisch kunnen begrijpen als de noodzaak om onszelf te maken; of we kunnen het begrijpen als de formulering dat Dasein altijd ontologisch is.) Hieruit volgen twee zaken. (1) Het "wezen" van Dasein ligt in zijn te-zijn. Zijn "wezen" ligt niet in bepaalde eigenschappen, maar in mogelijke vormen van zijn. (2) Het zijn waarom het dit zijn gaat is altijd het mijne: Jemeinigkeit. Dasein is zijn mogelijkheden, het bezit zijn mogelijkheden niet als min of meer toevallige eigenschappen.

Dit Dasein nu moet geanalyseerd worden, en wel op de manier waarop het "zunächst und zumeist" is, in zijn alledaagsheid. (Waarom dit het geval is, is me nog niet helemaal duidelijk. Heidegger beweert zelf ook dat we we daar gaan vinden net zo goed de structuur van andere vormen van zijn van het Dasein uit gaan maken. Dus waarom dan alledaagsheid?) Terminologisch zullen we de zijnsstructuren van Dasein "existentialiën" noemen, en die van de wereld "categorieën". (Een sluwe grap ten koste van Kant!)

§10

Heidegger legt eerst uitvoerig uit dat ook de filosofieën die proberen om de persoon serieus te nemen, en niet als ding te zien, zoals levensfilosofie, geen kritische houding hebben aangenomen tegenover de traditionele antiek-Christelijke antropologie en de ontologie die daarmee samenhangt. Die antropologie neemt aan dat de mens begrepen moet worden als het "rationele levende wezen", waarbij die laatste als een puur voorhanden iets wordt gezien, en rationaliteit ontologisch duister blijft. Ten tweede wordt de mens gezien als transcendent, want naar het evenbeeld Gods geschapen; maar dit idee van transcendentie blijft dogmatisch en ontologisch duister. Dasein kan niet begrepen worden als een levend voorhanden zijnde dat daarnaast ook nog "rationeel" of "transcendent" is. De juiste ontologische analyse moet een heel andere weg inslaan.

§11

Heidegger legt uit waarom we niet kunnen hopen onze analyse te verbeteren door te beginnen met het bestuderen van primitieve wereldbeelden. We kunnen niets met een vergelijking van wereldbeelden, wanneer we niet eerst fenomenologisch het idee van "wereld" hebben duidelijk gemaakt.

§12

De tot nog toe vastgestelde existentialia (zijnsbegrip, Jemeinigkeit) moeten begrepen worden vanuit het In-der-Welt-sein. De analyse hiervan zal de komende hoofdstukken in beslag nemen. Het gaat hierbij om een eenheid die niet zomaar in delen gesplitst kan worden; voor zover we dat in de analyse toch moeten doen, moet dit begrepen worden als een soort hermeneutische cirkel waarbij we steeds naar het geheel zullen terugkeren. De verschillende structuurmomenten die we gaan analyseren zijn Weltlichkeit, het zijnde dat op deze manier is, en In-Sein als zodanig.

In-Sein moeten we hierbij niet begrijpen als ruimtelijk in iets anders zijn. Heidegger suggereert dat "in" een betekenisrelatie heeft met "wonen", "werken", "zorg dragen voor"; dat "ben" samenhangt met "bij"; en dat In-der-Welt-sein dus begrepen moet worden als een wonen bij, een zorg dragen voor iets waar je bij bent. Alle vormen van werkelijk beroeren dienen begrepen te worden als alleen mogelijk op basis van het In-Sein. (Een tafel en een muur beroeren elkaar nooit; ze kunnen hoogstens ruimtelijk naast elkaar staan.) Heidegger kondigt aan het zijn van Dasein te gaan analyseren als Sorge, waarin dit zorg dragen voor... centraal komt te staan.

§13

Dasein en Welt zijn niet bedoeld als nieuwe termen voor subject en object, laat staan dat we de relatie tussen hen primair als "kennen" moeten opvatten. Doen we dat wel, dan krijgen we het traditionele probleem van de externe wereld op ons bord. Kennen is een manier van zijn van het In-der-Welt-sein, en wel een manier van zijn die pas ontstaat wanneer er iets mis gaat met het primaire besorgen. Kennen is niet primair, maar gefundeerd in In-der-Welt-sein. Hiermee valt een van de belangrijkste aannames van de moderne filosofie weg.