Rens Bod, "De vergeten wetenschappen" (2010)

Het schijnt dat De vergeten wetenschappen het eerste boek ter wereld is dat een algemene geschiedenis van de geesteswetenschappen presenteert. Als dat zo is, en ik heb geen reden om het niet te geloven, is dat bizar, en maakt het het boek van Bod alleen maar meer welkom dan het anders al zou zijn geweest. Want wat we hier gepresenteerd krijgen is een helder geschreven overzicht van meer dan 25 eeuwen geesteswetenschap -- taalkunde, geschiedschrijving, filologie, muziekwetenschap, retorica, literatuurwetenschap, kunsttheorie en -geschiedenis, logica -- in Europa, India, China, de moslimwereld, en tot op zekere hoogte Afrika. Ik dacht van het een en ander toch iets af te weten, maar ben hier zoveel nieuwe personen, theorieën en denkbeelden tegengekomen dat het me haast duizelt. Vooral die Panini: ik kan er niet over uit dat ik nog nooit van hem had gehoord!

Zoals te verwachten valt bij een dusdanig groots project dat in nog geen 450 pagina's wordt uitgevoerd, is de bespreking van vrijwel alles erg summier. Dit geldt in zekere zin voor alle besproken theorieën, waarbij je maar zelden een goed idee krijgt van wat er eigenlijk beweerd wordt; het geldt in sterkere mate voor alle niet-Westerse wetenschap, die er redelijk bekaaid vanaf komt. Niet verwonderlijk, gezien het feit dat ze (a) minder bestudeerd is, en (b) dan waarschijnlijk nog vooral in talen die Rens Bod niet beheerst. De vergeten wetenschappen is pionier in een vrij onontgonnen land, en presenteert zichzelf uitdrukkelijk als een aanzet tot meer diepgravende en beter geïnformeerde geschiedenissen die zullen volgen. In die context zijn veel van de zwakheden van het boek gemakkelijk te begrijpen en te vergeven.

De rode draad die Bod door de geschiedenis trekt, bijvoorbeeld, is het idee dat geesteswetenschappers op zoek zijn naar empirische patronen. Maar, zegt hij erbij, er zijn juist ook patroonverwerpende stromingen. Deze ideeën, van "patroon", "patroonzoekend" en "patroonverwerpend" worden helaas niet aan een nauwkeurige analyse onderworpen. Aangezien het op het eerste gezicht niet eens mogelijk is om een individueel object te beschrijven zonder het in een patroon in te bedden (het unieke is dat waar niet alleen geen woorden voor gevonden kunnen worden, maar wat zelfs niet gedacht kan worden), is het me niet erg helder hoe iemand patronen zou kunnen verwerpen; en is het me ook niet helder dat je iets hebt laten zien als je hebt laten zien dat wetenschappers op zoek zijn naar patronen. Discussies tussen traditionele en postmoderne wetenschappers zullen eerder gaan over welke en wat voor soort patronen we kunnen vinden, dan over de vraag of er patronen zijn. Deze rode draad, en daarmee een deel van de theorie van de geesteswetenschappen die Bod ons geeft, is voor mij dus niet erg overtuigend.

Maar heel erg is dat niet. Het eerste boek dat de geschiedenis van de humaniora als zodanig in kaart wil brengen hoeft niet ook meteen een interpretatie van die geschiedenis te geven (al zijn er hier natuurlijk wel allerlei interessante deelinterpretaties te vinden). Het belang van het boek ligt erin dat ze ons personen en theorieën laat zien die we nog niet kenden, en een chronologisch-geografisch kader geeft waarin we de samenhang van die personen en theorieën kunnen zien. Bod besteedt dan ook veel aandacht aan parallellen en beïnvloeding tussen de verschillende tijden, wetenschappen, en geografische gebieden. Allemaal erg leerzaam. Eén van de dingen die me het meest heeft getroffen is dat er schijnbaar nog gigantische hoeveelheden oude documenten zijn, overal ter wereld, die niemand heeft bestudeerd, en die wel eens de meest interessante historische ontdekkingen zouden kunnen opleveren. Er moet veel meer geld naar de geesteswetenschappen, dat is zeker!

Het enige aan De vergeten wetenschappen dat me irriteerde is het retorische (in de negatieve zin van het woord) gebruik dat Rens Bod maakt van de frase "filosofische waan van de dag". Meermaals laat hij wetenschappers links liggen omdat hun werk onder invloed van een Herderiaanse, Comteaanse of Hegeleaanse "filosofische waan van de dag" geschreven zou zijn. Ten eerste begrijp ik niet waarom je interessante denkbeelden tot "waan" zou willen bestempelen (waarom een filosofische theorie die niet blijkt te kloppen anders behandelen dan een geesteswetenschappelijke?). Maar ten tweede, en belangrijker: hoe kan je a priori weten dat de denkbeelden van Herder, Hegel en Comte in een bepaald onderzoek niet ontzettend nuttig zijn geweest? Collingwood prijst Hegels eigen geschiedenis van de filosofie, waar het Hegelse denken volgens hem historiografisch heel nuttig de gedachten heeft bepaald. Ik zie niet in waarom je wetenschappers die inspiratie uit een filosofie hebben geput zomaar opzij zou kunnen zetten.