Rorty heeft in dit artikel drie doelen. Ten eerste, aannemelijk maken dat pragmatisme gezien kan worden als romantisch polytheïsme. Ten tweede, suggereren dat Nietzsche geen gelijk in de claim dat pragmatisme en democratie elkaars vijanden zijn. Ten derde, beargumenteren dat Dewey, meer dan James en Nietzsche, het juiste pragmatistische idee over religie had. Het is niet zijn sterkste artikel, heb ik overigens het idee.
Deel 1: polytheïsme
René Berthelot was in 1911 de eerste die Nietzsche en de pragmatisten onder één noemer schoof, de romantische en utilitaristische motieven in hun denken zag, en ze daarom het etiket "romantisch utilitarisme" gaf. James en Nietzsche denken allebei dat geloof slechts moet worden afgerekend op nut, en dat er niet naast de wil tot geluk nog een wil tot waarheid bestaat. (Dit lijkt me een grove oversimplificatie van Nietzsche.) James en Nietzsche doen voor "waar" wat Mill voor "goed" had gedaan.
Rorty vertelt dan hoe Mill dacht dat poëzie de culturele plaats van religie in kon nemen, en hij duidt dit als een terugkeer naar polytheïsme. Waarom polytheïsme? Omdat niemand zal denken dat er één beste gedicht is; en omdat pragmatisten weten dat er heel verschillende vormen van het goede leven bestaan. De polytheïst gelooft dat er geen object van kennis is dat ons in staat zou stellen alle menselijke doelen naar belang te rangschikken, en zo het beste leven te vinden. En dan zegt Rorty:
Polytheism ... is pretty much coextensive with romantic utilitarianism. For once one sees no way of ranking human needs other than playing them off against each other, human happiness becomes all that matters. (p. 30.)
Hier begrijp ik weinig van. Hoe kan nu uit het feit dat je geen rangorde in doelen kan verkrijgen, blijken dat geluk het hoogste doel is? Hier wordt Nietzsche, bijvoorbeeld, wat al te gemakkelijk onder de utilitaristen geschaard!
Deel 2: Nietzsche en democratie
Nu zal Rorty gaan beweren dat Nietzsches anti-democratische houding een optioneel extra is voor zijn denken als geheel. Dit doet Rorty door Nietzsche de claim in de schoenen te schuiven dat het idee van menselijke broederschap vast zit aan het Platonisme en het Christendom; en dat het opgeven van Platonisme en Christendom dus ook het opgeven van democratie is. Maar, zegt Rorty, deze banden zijn puur historisch contingent. Stel je voor dat de Christenen hun religie puur ethisch hadden gebracht, als een ideaal van universele broederschap; dan had ze in het Romeinse polytheïsme gepast, zou er nooit een natuurlijke theologie zijn ontwikkeld, en was het christendom nooit geobsedeerd geraakt door de Platoonse idee dat God en de Waarheid Een zijn. Er is geen link van inferenties vanaf universeel broederschap naar het soort idee over waarheid dat Nietzsche wil afwijzen.
Als er al een link is, dan is het van democratie en broederschap naar polytheïsme--het is immers lastig om zowel volledig democraat te zijn als te denken dat er één beste manier van leven is.
Deel 3: pragmatisme en religie
Hoe moeten pragmatisten met religie omgaan? Moeten ze ertegen zijn, zoals Nietzsche? Claimen dat er bewijs is voor bepaalde religieuze basisideeën, zoals James doet? Of meer een lauwe vorm van "doe maar wat je wil als niemand er last van heeft", zoals Dewey? Rorty gaat uiteraard voor Dewey kiezen. Als proloog schetst hij een pragmatistische filosofie van religie in vijf thesen:
- We hoeven niet al ons geloof in één wereldvisie te verenigen.
- We moeten het idee laten varen dat sommige delen van de cultuur ons naar waarheid brengen, en andere slechts een minder doel vervullen.
- We moeten een verschil maken tussen sociale en individuele projecten. Voor de eerste is intersubjectieve overeenstemming nodig, voor de tweede niet.
- Een gebrek aan bewijs is geen goede tegenwerping tegen een religieus geloof; alleen een incompatibiliteit met sociale projecten (of andermans private projecten) kan een serieuze tegenwerping zijn.
- De poging om het Ware en het Ene te ontdekken is een poging om iets machtigs aan jouw kant te krijgen zodat je alle mensen kan overwinnen. De pragmatist is tegen religieuze fundamentalisten niet omdat ze een intellectuele fout maken, maar omdat ze een morele fout maken, namelijk het proberen te omzeilen van democratische consensusvorming.
Vervolgens wordt, zoals gezegd, James aangevallen omdat hij in Varieties of Religious Experience religie ging proberen te bewijzen, en meende te kunnen aantonen dat we in contact kunnen treden met hogere machten. Dewey maakte die fout nooit, onder andere omdat hij zich perfect van het idee van erfzonde had bevrijd. Voor Dewey is elke religieuze uitspraak simpelweg een hypothese: hij heeft alleen waarde als we hem kunnen uitproberen, en er achter komen dat hij werkt. Dit is gebeurd met de Christelijke claim dat we elkaar lief moeten hebben, en onze gemeenschap moeten opbouwen op basis van broederschap en gelijkheid.
Er komen nog wat kleine aspecten van Deweys denken over religie aan bod, maar deze zijn voor de algemene lijn niet heel belangrijk.
Rorty en filosofie
Dan wil ik nu even terugkomen op iets dat Rorty eerder in het artikel schrijft. Ik citeer:
For once you become a polytheist in the sense I just defined, you have to give up on the idea that philosophy can help you choose among various deities and the various forms of life offered. The choice between enthusiasm and contempt for democracy becomes more like a choice between Walt Whitman and Robinson Jeffers than between competing sets of philosophical arguments. (p. 32.)
Dit vind ik een heel raar verhaal, maar ik kan het verklaren door een onderscheid te maken tussen twee manieren waarop Rorty "filosofie" gebruikt. In de eerste plaats heb je filosofie als een bepaald corpus van teksten, en als het literaire genre dat zij definiëren. In de tweede plaats heb je filosofie als poging om met het Ware in contact te komen, om op een niet-contextafhankelijke manier te laten zijn wat waar is, om te funderen, om polytheïsme te voorkomen. In die tweede zin heeft Rorty gelijk; maar in die eerste zin natuurlijk niet. Waarom zou Whitman immers per se meer tot de verbeelding moeten spreken en beter ingezet kunnen worden in een privaat project dan Plato, Kierkegaard of Thomas van Aquino? Filosofische argumenten kan je zien als iets dat tegen het polytheïsme ingaat, maar je kan ze ook zien als articulaties van een voorgesteld vocabulaire of transformaties van een bestaand vocabulaire, iets dat geen enkele universaliteitsclaim maakt. Ik heb het dan niet over wat de oorspronkelijke auteurs bedoelden, maar om wat wij er nu mee doen. Dat is toch niet problematisch, om wijsheid te zoeken in Plato en Augustinus, ook al geloven we niet meer in funderingen?
Het lijkt me dat Rorty hier vaak verward is, en daardoor veel negatiever over filosofie spreekt dan nodig is, of dan hij hard kan maken. Het bestuderen van filosofische stelsels is net zo'n goede manier om veel menselijke mogelijkheden te leren kennen als het lezen van veel romans; schreef immers James niet reeds in de eerste lezing van Pragmatism:
The books of all the great philosophers are like so many men. Our sense of an essential personal flavor in each one of them, typical but indescribable, is the finest fruit of our own accomplished philosophic education. What the system pretends to be is a picture of the great universe of God. What it is--and oh so flagrantly!--is the revelation of how intensely odd the personal flavor of some fellow creature is.
Ik wilde dat Rorty die les iets beter geleerd had.