William Shakespeare, "The Tempest"

The Tempest is zonder meer een bizar stuk, al is het maar omdat er feitelijk geen enkel dramatisch conflict in voorkomt. Prospero de tovenaar heeft vanaf het begin alle touwtjes in handen; hij weet hoe het ervoor staat, hij weet wat hij wil bereiken, hij heeft een plan om het te bereiken, en hij voert dat plan uit. Simpel. Er gaat niets mis, en geen enkel ander personage is zelfs maar voor een moment een geloofwaardige tegenstander. Het grootste gevaar voor Prospero is dat hij dreigt te vergeten(!) dat Caliban en zijn twee dronken vrienden een plan hebben om hem te vermoorden, maar al was hij het vergeten, succes zouden ze toch niet gehad hebben. Feitelijk zijn we dus aan het kijken hoe de wil van Prospero werkelijkheid wordt.

Dat is niet helemaal waar, en wel om minstens twee redenen. Ten eerste is het helder dat met betrekking tot deze Caliban de wil van Prospero in het verleden geen werkelijkheid is geworden; en ten tweede zijn we natuurlijk ook naar Prospero aan het kijken. Over ons heeft zijn toverkracht niet noodzakelijkerwijs macht, zoals hij in de epiloog van het stuk ook erkent.

Caliban. Ik zal niet zeggen dat hij het centrum van het stuk is, maar hij is de knoest in het hout van Prospero's droom; met zijn hulp kunnen we de tovenaar het beste leren kennen. Daarom nu heel uitgebreid geciteerd uit de scène waar zij voor het eerst tegenover elkaar staan.

CALIBAN: This island's mine, by Sycorax my mother,
Which thou takest from me. When thou camest first,
Thou strokedst me and madest much of me, wouldst give me
Water with berries in't, and teach me how
To name the bigger light, and how the less,
That burn by day and night: and then I loved thee
And show'd thee all the qualities o' the isle,
The fresh springs, brine-pits, barren place and fertile:
Cursed be I that did so! All the charms
Of Sycorax, toads, beetles, bats, light on you!
For I am all the subjects that you have,
Which first was mine own king: and here you sty me
In this hard rock, whiles you do keep from me
The rest o' the island.
PROSPERO: Thou most lying slave,
Whom stripes may move, not kindness! I have used thee,
Filth as thou art, with human care, and lodged thee
In mine own cell, till thou didst seek to violate
The honour of my child.
CALIBAN: O ho, O ho! would't had been done!
Thou didst prevent me; I had peopled else
This isle with Calibans. (I.2.482-503)

Wat leren wij hieruit? Prospero heeft geprobeerd om Caliban te adopteren, haast als een kind, heeft hem leren spreken en, zo kunnen we vermoeden, heeft voor zover hij dat kan van hem gehouden. Van die liefde is nu niet veel over, tenminste niet op het bewuste vlak: Caliban is voor Prospero slechts een slaaf, een uit zijn aard slecht wezen, een "thing of darkness". Deze transformatie is voor zover wij kunnen zien heel plotseling gekomen, namelijk op het moment dat Caliban probeerde om seks te hebben met Miranda, de o-zo-pure-en-onschuldige dochter van Prospero. Van iets anders slechts dat Caliban gedaan zou hebben horen we niets, en zelfs niet dat hij dit meer dan eenmaal zou hebben geprobeerd.

Is dat nu een duistere, kwade daad? Een jongeling, met één vrouw op een eiland, en geen enkel vooruitzicht dat ze er ooit af zullen komen... je zou zeggen dat het voor de hand ligt dat ze iets gaan doen. Wat zou het verschil in sociale klasse nog uitmaken? Maar nee, Prospero kan het idee dat Caliban en Miranda gemeenschap hebben niet verdragen, om de simpele reden dat hij geobsedeerd is met zuiverheid. Voor zover hij al over seks kan nadenken, dan alleen tussen goed gewassen edelen, en na een formeel huwelijk; al het andere is voor hem een verschrikking. Hij begint hier vrijwel onmiddellijk over tegen Ferdinand, en het bereikt zijn hoogtepunt in de scène waarin de tovenaar een toneelstukje laat opvoeren door zijn geesten, om daarmee de verbinding tussen Miranda en Ferdinand te vieren. Hierin wordt gesproken over "cold nymphs" met "chaste crowns", over "dismissed bachelors", en wordt gevierd dat Venus en Cupido zijn weggejaagd:

Here thought they to have done
Some wanton charm upon this man and maid,
Whose vows are, that no bed-right shall be paid
Till Hymen's torch be lighted: but in vain; (IV.1.94-97)

Uiteraard een ietwat beschamende scène waarin Prospero zich wel heel erg laat kennen.

Deze obsessie is ongetwijfeld dezelfde die Prospero er ooit toe gebracht heeft het regeren over te laten aan zijn broer en zich puur te richten op "closeness and the bettering of my mind", "neglecting worldly ends". Hij kon het niet verdragen om zijn handen vuil te maken aan het lastige werk van regeren, en bovendien kunnen we ons voorstellen dat je Milaan niet altijd op dezelfde manier naar je hand kan zetten als het naamloze eiland waarop hij nu heer en meester is. Prospero is een control freak, en The Tempest is niet alleen het spektakel waarin hij deze obsessie tot de hoogste kunstvorm maakt, maar tegelijkertijd ook zijn afscheid ervan. Hij breekt zijn staf en zal zijn boeken in de zee werpen; en vergeet niet dat het toneelstukje dat ik boven noemde wordt opgevoerd in de scène waarin hij zijn dochter weggeeft, en dus op de meest dramatische wijze controle uit handen geeft. Het is een kort moment van overcompensatie.

Wat blijft er voor hem over wanneer hij dat gedaan heeft? Niet veel. Milaan, "where every third thought shall be my grave". De wereld buiten zijn eigen wil, die voor Prospero nauwelijks realiteit heeft:

And, like the baseless fabric of this vision,
The cloud-capp'd towers, the gorgeous palaces,
The solemn temples, the great globe itself,
Yea, all which it inherit, shall dissolve,
And, like this insubstantial pageant faded,
Leave not a rack behind. We are such stuff
As dreams are made on, and our little life
Is rounded with a sleep. (IV.1.151-158)

Harold Bloom schrijft ergens dat Shakespeare, nadat hij de meest geweldige en uitgewerkte karakters ooit had gerealiseerd, zich in zijn laatste toneelstukken van karakter, van "inwardness", afkeerde -- alsof hij er genoeg van had. En inderdaad is in The Tempest iedereen één-dimensionaal en vrijwel statisch; iets wat door de rijkheid aan personages slechts een weinig verhuld wordt. Wat zijn Miranda en Ferdinand voor mensen? Hoe zal hun huwelijk zijn, in de werkelijke wereld? We hebben geen idee! En Prospero zelf? Kunnen wij ons Prospero in Milaan voorstellen? Nee, ook voor ons was alleen het eiland werkelijk; wanneer het vervaagd is laat het niets achter. Een toekomst is zo ondenkbaar als de toekomst van een droom wanneer wij eenmaal ontwaakt zijn.

Maar voordat we Shakespeare er nu van beschuldigen (als het een beschuldiging is!) dat hij de psychologie achter zich heeft gelaten... is Prospero, die geen innerlijk heeft en voor wie de wereld alleen bestaat voor zover het iets is dat hij kan manipuleren, niet een duizend maal accurater beeld van ons dan Hamlet, die prins van de innerlijkheid?

Dat is toch minstens onze vrees.