Created: October 11, 2002
Last Changed: October 11, 2002
Placed: November 6, 2002
Een kort experimenteel stuk, waar ik eerder probeer om een sfeer op te roepen dan om een coherent verhaal te vertellen. Er is overigens wel tenminste 1 mogelijke interpretatie van het stuk, maar ik laat het graag aan jullie over je eigen te ontwikkelen.
Wanhopig zuchtend wervelde de wind zich rond zijn verwarde gedachten. Duistere denkbeelden dreven uiteen, hergroeperend, versmeltend tot angstaanjagende vormen, voor enkele ogenblikken hem teisterend totdat ook zij braken onder het aanhoudend geklaag van de storm. Lichtere wezen waren reeds eeuwen vergeten, hun schaduwen verdord en verschrompeld. Vernietigend. Reinigend.
Er waren monsters geweest, boze geesten die huilden en schreeuwden; en wie door hen werd gebeten werd zelf een monster of huilende geest. De dood in hun ogen, vuur in hun leden - angstaanjagend - fascinerend - fantastisch - fataal. Maar hun bloeddorstig gezang werd tot wegstervend krijsen wanneer de wind hen te pakken kreeg.
Ooit was het licht; een verleden achter de verste einder, slechts als dorre kennis nog schaduwen werpend op het pad dat hij al eonen lang volgde. Nu was alles de wind, een overvolle ervaring, een alomvattend gevoel. Nog steeds bewoog hij zich voort, tegen haar in, haar hatend, haar liefkozend, ondergedompeld, zich met elke stap verder bloot gevend.
En langzaam, nauwelijks merkbaar, in de loop van een eeuwigheid, verstomde de weeklacht. De laatste vormen verdwenen, keerden nog één maal flikkerend terug, en vervaagden. Aarzelend kwam hij tot stilstand en beschouwde de wereld.
Duisternis.
Stilte.
Hij draaide zich om.
Duisternis.
Stilte.
Hij was de duisternis. Hij was de stilte.
Eeuwige rust.