Created: February 21, 2002
Last Changed: November 6, 2002
Placed: November 6, 2002
Een gelijkenis die ik gepost heb in een topic op de Gathering of Tweakers, en wel hier. Voor meer context moet men deze discussie maar eens lezen, dat is wel de moeite waard. De hieronder opgenomen versie is verbeterd op taal- en spelfouten.
Er stond ooit eens een man op een kruispunt. Niet twee wegen lagen er voor hem, maar vele - ontelbare. Sommigen recht en duidelijk, beschenen door heldere zonnenstralen, anderen vaag en bochtig, in nevelen gehuld. Sommigen vaak begaan en platgetreden, anderen die nog nooit een mens had betreden - hoogstens wellicht een wild dier.
Toen stond er plotsklaps een duistere schim voor de man. "Denkt goed na - voordat u kiest!", zo sprak de verschijning in ernstige woorden. "Vele wegen, de allermeesten, leiden naar de onherroepelijke afgrond! Misschien lijkt het niet zo, en zijn zij met licht overgoten - maar uiteindelijk eindigen zij allemaal in de duisternis, vanwaar geen verlossing meer mogelijk is. Bedenkt u wel, voordat u kiest! Slechts één weg leidt naar de hoge bergtop die U ginds kunt ontwaren - verhuld in misten, schemerig - ik zeg U, dat is het hoogtepunt uwer hoop! Dat alleen is Uw - verlossing! Denkt goed na voordat U een van de wegen begint te lopen. Slechts dit ene pad, dit smalle, moeilijke pad, een afgrond aan de ene kant, een bergwand aan de andere - slechts dit ene glibberige en moeilijke begaanbare pad leidt tot het eeuwige leven!"
Zo sprak de geest, en de man bij het kruispunt voelde dat de woorden zwaar op zijn gemoed drukten. Straf en beloning, dat waren de consequenties van de paden, en dat ene pad dat gekozen moest worden - zag er helemaal niet zo aanlokkelijk uit. Dit pad liep door een grauw en dor landschap, waar weinig bewoog. En wat zich bewoog was doorzichtig en vaag, de schim gelijk.
Op dat moment echter verscheen er een nar bij de man, een nar met bonte narrenkap en narrenkostuum. De belletjes aan zijn kap rinkelden vrolijk, terwijl hij het woord nam:
"Ziet, kijkt om U heen, o gelukkige! Jazeker, 'gelukkige' noem ik U, omdat U nog kiezen kunt - de meeste mensen hebben al gekozen - of voor hen is gekozen, zonder dat zij zich er tegen verzetten. Gij gelukkige, kijkt goed om U heen! Zie op naar de stralende zon, luistert naar het klateren der beken en het ritselen der bladeren! Hoor toch het zingen der vogels - zoudt gij zelf ook niet graag zingen, temidden van al deze schoonheid? Maar - stilstaan, dat is niets voor U, dat heb ik maar al te goed door mijn vriend! Een weg wilt U kiezen, een weg waar U zich onverbiddelijk aan houden wilt. Maar... welke weg?
Wees de schim U de weg naar zijn Paradijs? Doch ik zeg U - zijn paradijs is zo schimmig als zijn eigen verschijnen! Zijn afgrondgedachte is het die hem verleidt tot paden langs kloven en bergwanden. Afgrondgedacht - zo noem ik het idee dat aan alles wat men doet straf en beloning hangt. Afgrondgedachte, omdat zij een eind maakt aan alle - onschuld! En met de onschuld ook aan de schoonheid. Maar schoonheid, onbedorven door ethisch gezwets - is dat niet wat U lokt, mijn vriend? Ziet, kijkt toch daarheen, naar de glooiende heuvels, de diepe bossen en verbogen stromen - is een ontdekkingsreis door dat prachtige, onbevlekte en onbetreden niemandsland niet veel meer waar Uw ziel naar smacht dan naar de schimmige zekerheid van afgrond en berg? Zoudt gij niet liever in vrijheid de volheid van de wereld ondergaan - en daarin scheppen - dan U te kronkelen over smalle paden langs afgronden en onbeklimbare berghellingen?
Welaan! Vloekt nu niet tegen die schim, die U met zwaarmoedige doemspreuken trachtte te verleiden - vloeken is onwaardig en bederft de pracht van de zonrijke middag. Nee, lach om hem, laat een klaterende vrolijkheid uw antwoord zijn op zijn asgrauwe woorden - laat Uw goedgemutstheid en vrijheid een wind zijn voor zijn stoffige denken - en laat Uw geest niet verleiden tot loon en straf! Laat Uw vrolijkheid niet bederven door zware gedachten!
Misschien dunkt de geest U boosaardig of slecht. Maar wat is U aan geesten en schimmen gelegen? De berg en de afgrond, met het smalle pad - of de onontgonnen wildernis vol schoonheid en gevaar... het is Uw keuze!"
Nadat de nar zo gesproken had voelde de man zich vrolijk en opgetogen, en hij nam het woord en sprak aldus:
"Wie de hele wereld ernstig neemt - wat kan die anders dan bedompte en grauwe gedachten denken? Ernst moet men afwisselen met - lachen! En over de weg des levens moet men niet alleen kunnen lopen, maar ook nog - kunnen dansen! Wie kan er dansen tussen de berg en de afgrond? Wie kan er lachen tussen straf en loon? Wie deelt zijn vrolijke ernst, zijn dwaze wijsheid - met schimmen? Neen! Neen, en nogmaals neen! Ze klinken mooi, die sombere spreuken - maar mij kunnen ze het lachen niet ontnemen - de dodelijke ernst zal mij niet verpletteren - ook niet bij rampen, bij droefheid, bij wreedheid. Dit pad bevalt mij, ik zie zonlicht en vlinders, en daar in de verte lijkt het te gaan naar heuvels die nog nooit zijn beklommen - heuvels vol prachtige schoonheid!
Dit nu is mijn deugd - dat ik niet lopen wil, waar al veel maal gelopen is - dat ik onbekende gevaren niet mijden wil op zoek naar het schone - en dat waar ik lopen kan - ik dansen moet!"
Zo sprak de man bij het kruispunt, en vrolijk lachend, badend in het licht van de middagzon danste hij weg.