Created: February 7, 2003
Last Changed: February 7, 2003
Placed: February 7, 2003
Filosofische meditaties
Wanneer wij besluiten een bepaalde wetenschappelijke theorie te accepteren of te verwerpen, maken wij ons daarbij niet druk om de vraag wat voor persoon de wetenschapper die het bedacht heeft nu eigenlijk was. Het gevoelsleven van een Newton, een Maxwell of een Einstein interesseren ons wellicht wel, maar niet in verband met onze acceptatie van hun wetenschappelijke werk. Ditzelfde, maar wellicht nog sterker, zien wij bij de wiskunde. Deze onafhankelijkheid van de persoon verdwijnt echter als bij toverslag wanneer wij het terrein van de filosofie betreden. Hoe zouden wij ooit een ethiek, een esthetica of een kentheorie kunnen accepteren van iemand die fundamenteel anders is - qua persoon - dan wij? Of Heisenberg fout was in de oorlog vinden wij weinig interessant; maar dat Heidegger fout was, maakt hem tot een auteur die wij nauwelijks nog hoeven te lezen. Hoe zou hij immers iets geschreven kunnen hebben dat wij als ons wereldbeeld willen accepteren? Deze diepe connectie tussen het geschrevene en de schrijver maakt de filosofie zowel gevaarlijk als aanlokkelijk.
Tik. Tik. Tik. Elke seconde die je niet besteed hebt aan het bereiken van je levensdoelen is zonde van je tijd; je hebt immers maar zo weinig. Hoe kunnen wij deze druk aan? Maar aan de andere kant, hoe zouden wij zonder haar kunnen presteren?
Het is al vele malen opgemerkt, maar het kan niet vaak genoeg gezegd worden. De meeste problemen in de filosofie worden veroorzaakt door de taal en de vele veronderstellingen en ambiguïteiten die daarin besloten liggen. Het opzetten van een filosofische taal is echter een project dat tot mislukken gedoemd is; zo'n taal zal altijd een doods en arm gebied zijn, terwijl filosofie rijk en vooral levend moet zijn. Bovendien zou het elke creativiteit tegengaan; een belangrijk deel daarvan is immers het veranderen en creëren van betekenissen. Er is in principe niets mis met onze taal, zolang we - om met Nietzsche te spreken - ons maar hoeden voor haar verleidingen.
Neem nu het woord 'objectief'. Dit kan van alles betekenen, maar in de filosofie zien wij het bijvoorbeeld vaak terug in de woordgroepen 'objectieve waarheid' en 'objectieve realiteit'. Beide termen zijn een grove verwarring. Realiteit is per definitie iets dat los van het subject bestaat. Een subjectieve realiteit is simpelweg geen realiteit. Spreken over 'objectieve realiteit' is zinloos en zorgt slechts voor verwarring. Maar veel schadelijker is het nog te spreken over 'objectieve waarheid'. 'Waarheid' is een predikaat dat betrekking heeft op proposities, en slechts op proposities. Zoals ik al eerder zei is het een grote fout de wereld te beschouwen als een verzameling proposities; wat 'waar' is zijn immers geen gebeurtenissen of objecten, maar slechts proposities. Deze nu worden altijd geformuleerd binnen een taal. De betekenis van een taal is puur subject-gebonden; buiten het subject heeft het geen enkele zin van 'betekenis' te spreken. Daarmee is dus ook 'waarheid' een puur subject-gebonden begrip. 'Objectieve waarheid' is een loze term, die velen in verwarring heeft gebracht. Hoogstens kunnen wij spreken over 'inter-subjectieve' waarheid; een propositie heeft namelijk dezelfde waarheidswaarde voor zowel mij als jou precies in zoverre als onze betekenistoekenning binnen de gebruikte taal hetzelfde is. In de wiskunde en de logica streven wij er - met redelijk succes - naar een taal te scheppen waarin iedereen dezelfde betekenissen hanteert. Voor de wetenschappen is dit al minder het geval, en voor bijvoorbeeld religieuze ervaringen geldt het zeker niet meer. Meningsverschillen op dat gebied zouden door de verlichte gelovigen (en niet-gelovigen) dan ook als taalverschillen moeten worden opgevat.
Sommige mensen verwachten dat de wetenschapper en de filosoof een grote mate van engagement vertonen: zij weten immers hoe de wereld werkt, zij zijn wijs en zij hebben dus de taak, neen, de plicht!, om de mensheid de helpende hand te bieden. Anderen vinden juist dat de wetenschapper en de filosoof zich daar niet mee bezig moeten houden. De wetenschapper moet de natuurwetten ontsluieren en de applicatie van die kennis valt buiten zijn domein; de filosoof moet taal analyseren en de toekomst van de wereld overlaten aan de politici. Beide standpunten zijn onverdedigbaar: of iemand engagement belangrijk vindt is puur en alleen een kwestie van zijn persoonlijkheid en zijn persoonlijke keuze. Niemand heeft daar de plicht toe; hoe zou iemand de plicht kunnen hebben zijn leven te offeren aan anderen? En niemand kan het verboden worden: hoe zou iemand de plicht kunnen hebben zich van de wereld af te zonderen? Ik behoud mij persoonlijk dan ook het recht voor in de toekomst al dan niet voor engagement te kiezen al naar gelang ik daar toevallig zin in heb. De vraag is simpelweg of de zaak waar ik voor wil strijden voorbij komt, of niet.
Bestaat toeval? Of is er een Lot? "Ik heb het gevoel dat alles wat er gebeurt een reden heeft," zo spreken sommigen. En dat zou best eens waar kunnen zijn - alleen misschien niet op de manier waarop zij bedoelen. Allemaal interpreteren we ons leven, plaatsen we de gebeurtenissen in een groter verband. Sommige mensen zijn hier heel goed in en dramatiseren op die wijze hun leven tot een kunstwerk, wat een enorme verdieping oplevert en zeer lovenswaardig is. Maar wie dit doet zal bijna elke gebeurtenis een significante plaats binnen zijn interpretatie kunnen geven; zijn of haar leven zal een grote aaneenschakeling zijn van gebeurtenissen die een reden hebben - zij het slechts onder een bepaalde interpretatie, zoals elke reden een interpretatie vereist. De objectificatie van deze interpretatie noemen wij spiritualisme, en zij is wellicht het belangrijkste aspect van elke religieuze en mystieke levenshouding. De kunstenaar die zijn scheppende daad van zichzelf losmaakt als archetype van de mysticus.