Created: April 3, 2003
Last Changed: April 3, 2003
Placed: April 3, 2003
Vernietiging
Stel dat iedereen een bepaald standpunt inneemt, behalve jij; en het is jouw doel dat standpunt in diskrediet te brengen en de mensheid van die dwaling af te brengen. Welke weg moet je dan volgen? De belangrijkste en meest effectieve techniek: geef het standpunt een naam. Iets dat niet genoemd kan worden is immuun voor aanvallen en kan eeuwig als sluimerende aanname blijven bestaan. Maar iets dat een naam heeft is iets geworden waar je voor of tegen kan zijn, iets dat verdedigd of aangevallen kan worden - het wordt onmiddellijk denkbaar dat je het er niet mee eens bent. Dit luidt de vernietiging van de opvatting in.
Een blik op Kuhn
Vaak geprezen en nog vaker verguisd. Wat moeten wij nu nog met Thomas Kuhn? Uit mijn korte kennismaking met zijn gedachtengoed wil ik een aantal conclusies trekken. Ten eerste, dat we een scherp onderscheid moeten maken tussen theorieën en de taal waarin hun uitspraken zijn bevat aan de ene kant, en methodologie, theoriekeuze en de daarbij behorende taal anderzijds. Dat Kuhn dit niet deed leidt tot grote problemen binnen zijn standpunt. Paradigmaveranderingen en incommensurabiliteit treden niet op bij een verandering van wetenschappelijke theorieën. De mechanica van Newton is niet bizar geworden door de opkomst van de relativiteitstheorieën. Wij kunnen een keuze tussen de twee op grond van criteria van empirische adequaatheid rechtvaardigen, en dit is een criterium dat zowel de opstellers van de ene als die van de andere theorie hanteerden. Maar paradigmaveranderingen en incommensurabiliteit treden wel op bij grote veranderingen in de methodologie van de wetenschap. De fysica van Aristoteles is wel bizar geworden voor ons, omdat zij op een volkomen andere manier de wereld beschrijft. Het is niet mogelijk dat binnen onze methodologie een empirische test zou uitwijzen dat Aristoteles gelijk had met zijn doeloorzaken. Hier is daadwerkelijk een revolutie opgetreden, en kan gezegd worden dat de opbouw van wetenschappelijke kennis niet langer cumulatief was. Maar, zo wil ik nu volhouden, er zijn op het eerste gezicht slechts twee van dit soort revoluties geweest: die van het religieuze naar het natuurfilosofische wereldbeeld; en die van het natuurfilosofische naar het natuurwetenschappelijke wereldbeeld. Geen enkele andere verandering in de geschiedenis van de wetenschap verdient het om geassocieerd te worden met paradigmaverandering (in de sterke zin) en incommensurabiliteit.
Ten tweede, dat het logisch-postivistische ideaal van een objectieve wijze om tot theoriekeuze te komen een luchtspiegeling is. Kuhn wijst er zeer scherp op dat allerlei subjectieve factoren in dit proces een rol spelen; zelfs als alle wetenschappers dezelfde criteria hanteren (empirische adequaatheid, elegantie, ruimheid, progressie) zal dit niet tot dezelfde beslissingen leiden. Zowel de interpretatie van de criteria als hun relatieve belangrijkheid zal van wetenschapper tot wetenschapper verschillen. Bovendien moeten we niet vergeten dat aanhanger van een theorie worden niet hetzelfde is als de theorie accepteren als beste wetenschappelijke theorie. Het is veel ruimer, en zal ondermee het waarderen van de theorie als mooi, de bereidheid om tijd en moeite in de theorie te steken en het verlangen om anderen ook de waarheid van de theorie te laten inzien behelzen. Kuhn is gerechtvaardigd te zeggen dat het aannemen van een theorie eerder een bekering dan een rationele keuze is, zolang hij expliciet dit soort factoren erin betrekt. En laten we wel wezen: dit soort factoren spelen altijd een rol.
En dat is maar goed ook, want het zorgt voor diversiteit in de wetenschappelijke gemeenschap, en diversiteit is goed voor creativiteit. We moeten wel oppassen, en niet in een extreem relativisme vervallen, zoals populair schijnt te zijn onder wetenschapssociologen en -antropologen. De gedachte dat wetenschappelijke kennis niets met de werkelijkheid te maken heeft en slechts een sociaal construct is, is volkomen onhoudbaar. Maar de onderkenning dat subjectieve en emotionele aspecten altijd een rol spelen in de wetenschappelijke praktijk, en dat deze dus niet volledig in logische schema's te vatten is, lijkt me wel een cruciale onderkenning.
Ten derde, dat de wetenschapsfilosofie nooit normatief mag optreden tegenover de wetenschap. Zij beschrijft, zij rijkt instrumenten en ideeën aan, maar zij mag nooit zeggen: zo moet vanaf nu al het wetenschappelijk onderzoek verricht worden!
Wetenschap en individu
Er is veel aandacht geweest voor de logische kant van de wetenschap; voor de opbouw van theorieën, en nu bijvoorbeeld ook nog voor mathematisch-logische beschrijvingen van confirmatie. Wat goede wetenschap is, en hoe het beoefend moet worden wordt door de analytische filosofen vanuit een logisch perspectief behandelt, en dit heeft veel mooie dingen opgeleverd.
Er is de laatste decennia ook veel aandacht geweest voor de geschiedenis, de sociologie en de antropologie van de wetenschap, voor de manier waarop sociale, economische en politieke factoren het wetenschappelijk bedrijf beïnvloeden. Wetenschappelijke kennis wordt hier beschouwd als een product van dit soort factoren. Ook deze aanpak heeft inzichten opgeleverd, hoewel ik op dit moment niet zou durven zeggen dat deze even nuttig of mooi zijn als die van de analytische aanpak.
Wetenschap als logisch proces, en wetenschap als sociaal proces. Maar waar, zo vraag ik u, is nu eens het verband tussen wetenschap en het individu gelegd?! Tegen de analytici breng ik in dat zij geen rekening houden met de aard van de mens; tegen de sociologen breng ik in dat geen enkele wetenschappelijke act door een sociale groep wordt uitgevoerd. Wetenschap is iets dat gedaan wordt door personen, en beide onderzoeksrichtingen sluiten de mogelijkheid uit dat een individu richting kan geven aan de wetenschappelijke geschiedenis. En toch, zou de wetenschap zonder Newton of Einstein niet een volkomen andere wending hebben kunnen nemen? Wat wij nodig hebben is een erkenning van de rol van het individuele genie.
Analytische en niet-analytische filosofie
Als u mij vraagt of ik meer van analytische of juist meer van niet-analytische filosofen houd, brengt u mij in verlegenheid. Ik zal u wellicht vertellen dat ik in de wetenschapsfilosofie, de logica, de kenleer, de metafysica, de natuurfilosofie en de taalfilosofie vooral gecharmeerd ben van de analytici. Maar in de ethiek, de politieke filosofie en de esthetica zie ik juist niets in hen. Lees ik eens iets over ethiek waarin gewag wordt gemaakt van 'ideale beschouwers', 'rationele beslissingen' en dergelijk noties, dan bekruipt mij het gevoel dat iets heel moois en dynamisch hier tot iets steriels en vreemds gemaakt wordt. Een ethische beslissing is doorspekt met passie, en niet te bevatten in een 'theory of justice'. En zo omarm ik tegelijkertijd logici en Nietzsche, door ze op verschillende kengebieden te laten werken.
Maar zijn die kengebieden wel zo verschillend!? In de wetenschapsfilosofie zie ik allerlei manieren waarop zowel de wetenschapsethiek als de confirmatietheorie zich uitlaten over de methodologie, en zo met elkaar in contact komen. En deze ontmoeting tussen de verschillende soorten filosofie komt waarschijnlijk heel vaak voor, veel meer dan wij weten of voor onszelf durven toegeven. Ik ervaar hier een tegenstrijdigheid binnen mijzelf - hoe kan je nu vinden dat zowel analytische als niet-analytische filosofie op hetzelfde gebied iets te zeggen heeft?
Wat wij nodig hebben, of althans wat ik nodig heb, is een synthese van deze twee soorten filosofie.
Logica en fysische theorie
De meest basale kijk op een theorie is de volgende: zij is een verzameling uitspraken die gesloten is onder logische afleiding. Maar, vraag ik me dan af, onder wat voor logische afleiding? Standaard logica? Paraconsistente logica? Er zijn onnoemelijk veel mogelijkheden, en welke je kiest lijkt me nogal fundamenteel voor je theorie. Dus zou ik willen pleiten voor het expliciet verbinden van een logica aan een theorie. Maar dan krijg je meteen de vraag wat het betekent om te zeggen dat twee theorieën inconsistent zijn met elkaar - inconsistent volgens welke logica? Koppel dit aan mijn opvatting dat de logica die het wetenschappelijk denken beheerst eerder paraconsistent dan klassiek is (in een klassieke logica volgt alles uit een tegenstelling, in een paraconsistente logica niet; hebt u wel eens een fysicus horen zeggen dat de relativiteitstheorie en de quantummechanica met elkaar in strijd zijn en dus alles waar is?), en er opent zich een mooi gebied om eens grondig onderzoek in te doen.