Created: February 29, 2004
Last Changed: February 29, 2004
Placed: May 9, 2004
Deze column werd geschreven voor het vak 'Zwijgende tolken', een lezingencylcus waarvan het thema de invloed van interfaces op de inhoud van een boodschap was.
Freud en Descartes: Bewustzijn als medium
Het is waarschijnlijk de beroemdste spreuk uit de moderne
filosofie: "Cogito, ergo sum"; ik denk, dus ik besta. Door
Descartes opgevoerd als de meest onbetwijfelbare van alle
waarheden, zijn wij post-Freudianen in staat een bijzonder
intrigerende vraag over deze stelling te formuleren: wat is
namelijk dit Cartesiaanse 'ik'? Welk beeld van het bewustzijn en
het zelf lag in de diepe duisternis van de collectieve
vooronderstelling, waar zelfs het sterke licht van de Cartesiaanse
twijfel niet kon doordringen, verborgen?
De mens is een rationeel wezen, zo sprak Aristoteles, en de
Verlichting zei het hem na. De eigenschap die de mens definieerde
was zijn mogelijkheid tot rationeel denken, het bewuste redeneren
volgens juiste regels om tot goede conclusies te komen. Niet de
lust, niet de emotie, niet het droombeeld of de verborgen angst,
maar het heldere, duidelijk denken vormde in de Verlichting de
kern van de mens; en de beste mens was hij die zich alleen door
zijn bewuste gedachten liet leiden.
Wij zien dit terug bij Descartes: als hij aan alles gaat twijfelen
houdt hij niet zijn passies over, niet de non-rationele aspecten
van zijn zelf, maar de bewuste gedachte. Hij denkt - dus
hij is; en met evenveel recht had hij daaraan toe kunnen voegen:
ik ben, dus ik denk. Het bewustzijn waarin zich de gedachten
afspelen en het zelf vallen bij Descartes, en bij eeuwen Westerse
beschaving na hem, samen. Het zelf is één en onverdeeld, en
voor zichzelf volledig transparant.
Dit is een beeld dat Freud radicaal aanvalt. In zijn theorie is
het zelf maar gedeeltelijk bewust, en bovendien valt het in
onderling concurrerende stukken uiteen. Het Id wil alle directe
verlangens - eten, drinken, paren - zo snel mogelijk bevredigen;
het Superego probeert juist de cultureel bepaalde normen en
waarden te doen gelden en het Id in bedwang te houden; terwijl het
Ego een mediërende rol tussen beide speelt, compromissen tussen
beide sluit en deze uitvoert. Juist dit Ego is gedeeltelijk
bewust.
Deze conceptie van het zelf verschilt radicaal van de eerdere,
Cartesiaanse conceptie. Freud's zelf is innerlijk verdeeld, voor
zichzelf niet transparant en redelijkheid is over het algemene ver
te zoeken - zeker is deze redelijkheid niet datgene wat de mens
tot mens maakt. Ook de rol van het bewustzijn verschuift volledig:
waar dit eerst samenviel met het zelf, een geestelijke entiteit
was, vervult het nu eerder de rol van een medium. Het is een
medium waarin Id en Superego hun twisten kunnen uitvechten, en
waarin de onderbewuste gedachte omgezet kan worden in taal en
andere communiceerbare vormen; een soort lichtkrant waarin alleen
de koppen - of wellicht juist de voetnoten - van de innerlijke
krant voorbij schuiven.
Hoewel er op Freuds analyse veel valt af te dingen, brengt het wel
een verborgen geheim van de Verlichting uit de duisternis naar
voren. Ten opzichte van het bewustzijn moeten wij ons een nieuwe
houding aanmeten; niet langer is dit een transparante geestelijke
entiteit, maar veeleer een politiek forum waarin allerlei driften
de degens kruisen - wellicht 'at bidding of vast formless
things', in de woorden van Poe. Dit is de voornaamste filosofische
betekenis van Freud, en hierin ligt zijn belang voor deze cursus:
dat media niet alleen bestaan tussen ons en de wereld, of ons en
anderen, maar misschien juist ook in ons zelf.
Back