Created: January 8, 2005
Last Changed: January 8, 2005
Placed: January 9, 2005
Marcel en Anaïs: een studie in gereflecteerd leed
Wanneer iemand overlijdt die je na staat, wordt je overmand door een diep leed. Dit is een onmiddellijk leed, in de zin dat het gebeurde voorzover er überhaupt over gedacht kan worden volledig transparant is. Het is duidelijk wat er aan de hand is, iemand is dood, en daar stopt de geest en geeft het treuren de ruimte. Wij zijn er wellicht een tijdlang kapot van, maar het verdriet doet zijn werk, de idee vervaagt, en uiteindelijk keert de rust weer. Het onmiddellijke leed is een gezond leed dat iedereen zo nu en dan te verwerken krijgt, en waarvoor we niet weg moeten lopen.
    Maar er is een ander soort leed, en dat is het gereflecteerde leed. Hierbij is datgene wat het leed veroorzaakt voor het denken niet volledig transparant; het kan niet geheel begrepen worden, er blijft altijd iets mysterieus aan vast zitten - er zijn vragen over te stellen die niet afdoende beantwoord kunnen worden, of het vraagt om een interpretatie die nooit voldoende gerechtvaardigd kan worden maar altijd tegeninterpretaties oproept. Het denken blijft zich bezig houden met vragen over de focus van het leed, blijft interpretaties hiervan ontwikkelen, en stelt nooit een uiteindelijk, duidelijk omschreven leed vast. Zo kan er niet getreurd worden, want het leed is onduidelijk, en kan het subject niet met het leed klaarkomen. Laten we dit leed dat geen treuren is 'smart' noemen. Er zijn nu twee scenario's die zich met betrekking tot de smart kunnen voltrekken. In het gunstige geval wordt het denken uit zijn cirkel gehaald, bijvoorbeeld doordat een tweede persoon de eerste een interpretatie aanreikt die buiten de cirkel valt, en kan de smart overgaan in treuren en vervolgens vergeten worden. In het ongunstige geval echter vindt zo'n bevrijding niet plaats; het denken is als een man die steeds in hetzelfde donkere kamertje op en neer blijft lopen, altijd maar loopt maar nooit verder komt dan de vier hoeken van het vertrek waar hij zich in bevindt. Naarmate dit langer duurt zal een schaamte zich meester maken van het lijdende subject, omdat het leed veel langer duurt dan sociaal acceptabel is; maar ook een soort gehechtheid aan het leed, dat de enige houvast van het subject wordt, het enige constante, en waar het subject uiteindelijk niet meer buiten kan. Vanwege de schaamte wordt het leed verborgen; vanwege de gehechtheid en de innerlijke logica van het denken gaat het voor altijd door. De smart wordt absoluut en het individu lijdt voor eeuwig in stilte. Kierkegaard, wiens gedachten ik hierboven kort samenvatte, drukt het honderdmaal schoner uit (in Of/Of, sectie Schaduwbeelden, vertaling van Jan Marquart Scholtz):
Wanneer het [gereflecteerde verdriet] zich nu op zo'n manier binnenwaarts wendt, vindt het tenslotte een afgezonderd plekje, een binnenkamer waar het denkt te kunnen blijven, en nu begint het zijn steeds gelijk blijvende beweging. Als de slinger van een klok zwaait het heen en weer en kan geen rust vinden. Het begint steeds weer van voren af aan en overlegt opnieuw, hoort de getuigen, vergelijkt en keurt diverse verklaringen, wat het al honderd keer gedaan heeft, maar nooit is het ermee klaar. Het eenvormige krijgt in de loop van de tijd iets verdovends. Zoals het eentonig druppen van een dak, of het eentonig snorren van een spinnenwiel, of het monotone geluid dat iemand produceert die met afgemeten passen op de verdieping boven ons heen en weer loopt, een verdovend effect heeft, zo vindt het gereflecteerde verdriet tenslotte soelaas in deze beweging, waar het, als een illusoir in-beweging-zijn, op den duur niet meer buiten kan. Uiteindelijk ontstaat er een zeker evenwicht, de behoefte het verdriet tot uitbarsting te laten komen, voorzover die zich een enkele maal kan hebben voorgedaan, verdwijnt, het uiterlijk is stil en rustig, en in het diepste innerlijk leeft in zijn kleine schuilhoekje het verdriet als een zwaarbewaakte gevangene in een onderaardse kerker, daar slijt het in zijn eenvormige beweging jaar na jaar, loopt heen en weer in zijn cel, nimmer moe de lange dan wel korte weg van het verdriet af te leggen.
Kierkegaard onderzoekt hierna drie voorbeelden van een gereflecteerd leed, allemaal ontstaan door bedrog in de liefde. (Waar anders dan in de liefde kan ook het echte leed ontstaan?) Zo ontmoeten wij Marie Beaumarchais uit Goethes 'Clavigo', Donna Elvira uit Mozarts 'Don Giovanni' en Gretchen uit Goethes 'Faust' - alledrie vrouwen die door hun geliefde zijn bedrogen. Kierkegaard legt de verschillen tussen hen bloot en geeft zeer interessante, zelfs veronrustende, analyses van hun denken en de eeuwige heen-en-weer-gaande beweging waar dit in terecht komt. Maar in plaats van zijn verhalen te herhalen - dat zou er trouwens ook niets aan toevoegen - wil ik een vierde mogelijkheid onderzoeken, die daarin haar eigenheid vindt dat het bedrog niet objectief aanwezig is, en bovendien daarin dat beide partijen in de eeuwige beweging van het gereflecteerde verdriet terecht komen.
    Laten wij ons dan een jong en onervaren meisje en een meer ervaren jonge man voorstellen, die echter van een heel ander kaliber is dan Clavigo, Don Giovanni of Faust. Hij is noch de trouweloze ploert, noch de niet tot binding in staat zijnde verpersoonlijking van het erotische, noch de ver boven het meisje verheven Faust. Nee, onze jonge man - laten we hem Marcel noemen - voelt vaak diepe emoties, reflecteert over zichzelf, is vol medeleven, en bovendien, wat essentieel is voor ons verhaal, is Marcel in staat tot soms zelfs excessieve morele zelfkritiek. Het jonge meisje, wij geven haar de naam Anaïs, is ook niet te vereenzelvigen met de dames uit Kierkegaards beschouwingen: ze is minder lijdzaam dan Marie Beaumarchais, minder wereldwijs dan Donna Elvira en minder deemoedig dan Gretchen. Laten we dan zeggen dat Marcel en Anaïs elkaar tegenkomen wanneer Marcel voor zaken een week in een plattelandsdorpje verblijft, wat toevallig het dorpje is waar Anaïs woont. Zij ontmoeten elkaar misschien op een dorpsfeest of een klein bal, en er springt onmiddellijk een vonk over. Er wordt wat geflirt, en in de loop van de week volgen verschillende afspraakjes en romantische wandelingen, waarbij ook gezoend wordt. Tot zover de romance, want aan het einde van de week moet Marcel terug naar de stad, en hij is niet van plan Anaïs met zich mee te nemen - in de stad immers woont zijn ware geliefde, de vrouw waar hij al jaren mee verloofd is en binnenkort denkt te gaan trouwen. Voor Marcel was de hele episode slechts wat onschuldig vermaak, waar verder niets achter zat, en als Anaïs deze mening deelde was het verhaal nu afgelopen en konden wij de hoofdpersonen veel geluk wensen op hun respectievelijke levenspaden. Weliswaar was er dan nog wel een morele vraag te beantwoorden over deze kortstondige romance, maar in het ethische zijn wij hier niet geïnteresseerd, en bovendien zou het antwoord toch veel te veel van toevallige omstandigheden afhangen om interessant te kunnen zijn.
    Anaïs had zich dus een andere voorstelling gemaakt naar aanleiding van het gebeurde, en de conclusie getrokken dat Marcel zich met haar wilde verloven en met haar wilde trouwen. Dit is op zich nog niet genoeg om van haar leed een gereflecteerd leed te maken: indien ze nu bij Marcels afscheid slechts grote teleurstelling voelt, en verder niets, dan kan zij treuren - ofwel over het misverstand, ofwel over zijn trouweloosheid, afhankelijk van haar interpretatie van het gebeuren - en lost het leed na enige tijd op. Wij zullen Anaïs dan over een aantal jaar terug zien, wijzer geworden en met een nieuwe vrijer. Wij wensen haar opnieuw veel geluk, maar op deze wijze is zij niet langer interessant voor ons. Om haar verdriet in gereflecteerd verdriet om te laten slaan moet het in de eerste plaats betrokken worden op haar toekomst. Indien ze het gewoon van zich af kan schudden als een onfortuinlijke episode en dan op zoek gaat naar een nieuwe echtgenoot, wel, dan zal ze het verdriet snel genoeg kwijt zijn. Laten we er dus vanuit gaan dat Anaïs niet gelooft en nooit geloofd heeft in de mogelijkheid dat ze ware liefde zal vinden; en voor minder dan ware liefde doet ze het niet. Met dit feit heeft ze zich weliswaar niet verzoend, maar ze heeft toch zulke zware muren in haar geest gebouwd dat ze er nooit aan hoeft te denken. Maar zie!, het ongelooflijke gebeurt, en als een donderslag bij heldere hemel - of juister gezegd, als een lichtstraal die ineens door een zwart wolkendek breekt - verschijnt daar Marcel. Dit is waar ze nooit op heeft durven hopen, en in de roes van het plotseling opbloeiende geluk verbrijzelt ze alle muren in haar geest. Wanneer Marcel haar dan verlaat is er meer dan slechts teleurstelling: als een afgrijselijk monster barst daar de gedachte naar voren die ze altijd ommuurd heeft, de zekerheid dat ze nooit ware liefde zal kunnen vinden. En nu ontstaat er in haar geest een reflectie op het leed, die voortkomt uit een reflectie op deze zekerheid. Want stel dat de ware liefde er voor haar inderdaad niet in zat, dat dus ook de liefde van Marcel geen ware liefde was, dan moet ze hem haten en verachten; maar ze kan dan verder alleen zijn met haar leed en erin tot rust komen. Stel nu echter dat het wel ware liefde was tussen haar en Marcel, dat dit die ene onmogelijke mogelijkheid was, die ene bijna niet te geloven kans op geluk - dan kan zijn verraad niet zijn wat het is, want verraad en ware liefde gaan niet samen. Is hij dan weggegaan omdat hij niet snapte wat er aan de hand was? Of uit medelijden met zijn verloofde, gedwongen door sociale conventies? Teert hij soms weg in de grote stad, een geheime liefde voor haar voelend die hij aan niemand - misschien zelfs zichzelf niet - durft te bekennen? Heel haar hart gaat naar hem uit, het lijkt alsof ze nog nooit zoveel van hem heeft gehouden als juist nu, nu hij haar verlaten heeft. Maar nee, hij heeft met haar gespeeld als een kat met een muis; hij heeft haar wijs gemaakt dat zij hem voor altijd zou toebehoren, zodat haar hart zou breken en zij als de ongelukkigste zou achterblijven. De haat vlamt weer op in haar lichaam, en ze zweert hem te vernietigen - als hij haar geluk expres heeft verbrijzeld, zal zij ook zijn geluk tot stof en as uiteen doen vallen! Zij heeft toch geen hoop meer in dit leven, dat wist ze altijd al, maar nu heeft ze tenminste een object om haar passie op te richten, en dat is Marcel. Dus kronkelt het pad van haar denken zich nogmaals om hen heen, en nu ziet ze zich geconfronteerd met de mogelijkheid dat het toch nog wat kan worden tussen hen; immers, wat zij voelde, zij die zich zo gepantserd had, was zo heftig en zo waar, het moet wel echte liefde geweest zijn, en echte liefde kan niet sterven. Als ze nu alleen maar Marcel bij zijn verloofde weg kon halen en hem de schelmen van zijn ogen kon nemen - want dat hij diep in zijn hart eigenlijk van haar, Anaïs, houdt, dat staat voor haar vast. En zo slingert de pendule heen en weer tussen haat en liefde, en vindt het leed geen rust - zonder rust geen treuren, zonder treuren geen verwerken en geen vergeten - de pendule blijft slingeren tot in de eeuwigheid.
    Ook zo is Anaïs een interessant figuur, maar indien het hierbij bleef zou ze weinig meer zijn dan een samensmelting van Marie Beaumarchais en Donna Elvira. Het grote verschil is echter dat waar Clavigo en Don Giovanni voor eeuwig uit de levens van Marie en Elvira verdwijnen, Marcel niet verdwijnt uit het leven van Anaïs, en dit om twee redenen - in de eerste plaats omdat zij hem opzoekt, maar dat doet Donna Elvira ook met Don Giovanni, die haar toch steeds op een afstand houdt; en in de tweede plaats omdat de kennis van haar situatie op zijn beurt bij Marcel een gereflecteerd verdriet voortbrengt dat hen net zo stevig aan elkander verbindt als de sterkste huwelijksgeloften dat ooit hadden kunnen doen. Laten we er dus vanuit gaan dat Anaïs verschijnt in de grote stad, en haar leed aan Marcel kenbaar maakt: ze eist dat hij met haar trouwt vanwege zijn onuitgesproken geloftes, en ze smeekt hem met haar te trouwen omdat haar leven anders geen zin heeft. Dit bezorgt Marcel de schrik van zijn leven; geen seconde was hij ervan uitgegaan dat dit het effect van zijn avances zou zijn! Maar nu het dat eenmaal is, kan hij het niet zomaar terzijde schuiven. Behept met zijn inlevingsvermogen en zijn hang tot zelfkritiek komt de reflectie bij Marcel op gang, en deze voert ook hem in een duistere cirkel.
    Aan de ene kant: het is nooit zijn bedoeling geweest iets meer te suggereren dan een simpel spel, een vrijblijvend vermaak; als Anaïs daar meer in heeft gelezen, dan is het toch zeker niet zijn schuld geweest! Maar aan de andere kant: had hij het niet kunnen vermoeden? Heeft hij niet onvoorzichtig gehandeld, had hij de mogelijkheid dat een jong meisje van het platteland hem zo zou interpreteren niet onder ogen moeten zien? Het is dus toch zijn schuld, want hij heeft gehandeld zonder de consequenties te overdenken. En zelfs als hij dat wel gedaan zou hebben en oprecht heeft gedacht dat het geen kwaad kon om een beetje te flikflooien, dat zelfs een Anaïs daar niets achter zou zoeken, dan is het nog een gevolg van zijn daden dat haar ongeluk is ontstaan. De schuld van haar ongeluk kleeft dus aan zijn handen, en hij zou alles moeten doen om het weg te nemen. Maar waar bestaat haar ongeluk precies in? Hij heeft haar kennelijk laten hopen op iets waar niet op gehoopt had moeten worden, hij heeft haar een geluk beloofd dat hij haar niet kan geven. Maar daarmee is hij hoogstens de schuld van een kort ongeluk, een tijdelijke teleurstelling die ze wel weer te boven zal komen. De toekomst kan haar toch een nieuwe man brengen, een man die haar Marcel voor altijd zal doen vergeten? Maar stel dat ze geen nieuwe man vindt, misschien door ongelukkig toeval, misschien doordat ze te zeer van streek is gebracht door zijn daden, door zijn gelofte die wel en niet gedaan is - stel dat die toekomstvisie de waarheid wordt, is het dan niet allemaal zijn schuld? Heeft hij niet haar hele leven vernietigd? Is de mogelijkheid dat deze toekomstvisie waarheid wordt niet al bijna even erg als de actualiteit ervan, omdat deze mogelijkheid al essentieel in zijn daad besloten lag? En nu begint hij zijn daad, die korte gebeurtenis in het verleden, te herinterpreteren vanuit het schrikbeeld van de toekomst dat Anaïs hem voor heeft getoverd: nu begint hij zijn daad niet te zien als een goed bedoeld spel dat helaas een verkeerde verwachting heeft gewekt, maar als een zware zonde die Anaïs verdoemd heeft tot eeuwig ongeluk. Moet hij haar dan niet die toekomst geven waar ze zo op gehoopt heeft, moet hij zijn verloving niet verbreken en zich met haar in de echt laten verbinden? Als hij de enige is die Anaïs het geluk kan geven, is het dan niet zijn plicht haar dat geluk te geven? Het zou een verraad zijn ten opzichte van zijn verloofde, maar zij is mooi en rijk en kan zo een nieuwe man vinden; terwijl Anaïs alleen met hem gelukkig is. Maar hij houdt niet van Anaïs, niet met ware liefde, dus zou zijn offer een leugen zijn, niets meer dan een nieuwe deceptie en ditmaal bovendien een bewuste.
    Zo bewegen zijn gedachten zich tussen schuld en onschuld. Het ene moment denkt hij: ik heb het allemaal niet zo bedoeld, mijn bedoeling was goed! Ik wilde haar niet ongelukkig maken. Haar ongeluk is haar eigen verantwoordelijkheid, want zij moet mij loslaten en op zoek gaan naar een nieuwe echtgenoot. De toekomst kan vanalles brengen, ook nieuw geluk voor haar, en bovendien, waarom zou ik verantwoordelijk zijn voor de toekomst? Maar het volgende moment denkt hij: ik had beter kunnen weten, en zelfs als ik niet beter had kunnen weten ben ik nog steeds de oorzaak van haar leed. Als zij nu nooit meer gelukkig wordt is dat mijn schuld. Heb ik dan niet de plicht haar zo gelukkig te maken als maar in mijn macht ligt? Maar zelfs nu kies ik nog voor mezelf, zoals ik ook in het begin alleen voor mezelf heb gekozen: ik trouw haar niet, en betoon mij zo een afschuwelijke egoïst. Elk moment dat ik haar in haar leed alleen laat wordt mijn schuld alleen nog maar groter. - De paradox is dat er voor Marcel geen keuze mogelijk is, want Anaïs trouwen is geen echte mogelijkheid, daarvoor weet hij te goed dat er te weinig liefde in zijn hart is voor haar - de liefde die er eens was is door het spel van het leed allang veranderd in iets anders -, maar dat hij toch zijn eigen niet-handelen elke seconde meer schuld op zijn ziel voelt stapelen. En nu zet zich de verschrikkelijke gedachtengang van de schuld in werking: als zij ongelukkig is, denkt hij, verdien ik het dan niet om ook ongelukkig te zijn? Kijk, daar is ze weer, Anaïs, en ze roept om wraak, ze haat mij - ook al heeft ze me lief - en ze wil mijn ongeluk. Hoe kan ik haar dat weigeren? Ik ben een slecht, egoïstisch mens, ik verdien het geluk niet; ik heb haar tot de hel veroordeeld, het is slechts passend als mijn schuld mij ook naar de hel voert. - Doordat Anaïs hem overtuigde haar grijze beeld van de toekomst over te nemen, haar eeuwige ongeluk steeds voor zijn geestesoog te houden, begon hij met elke slag van de pendule zijn verleden zwarter te kleuren, hij werd steeds schuldiger en schuldiger; en door de schuld verliest hij nu ook het heden. Toch ligt hierin voor hem nog een hoop: in de schuld zou het leed uiteindelijk stil kunnen komen te liggen, zou de reflectie kunnen stoppen - en zodra de reflectie stopt, verslapt de aandacht en wordt een ontsnapping mogelijk. Maar helaas, de aanwezigheid van Anaïs weerhoudt het leed ervan om zich te rusten in de schuld; want zij blijft hem opzoeken, steekt haar tirades af, vertelt hem hoezeer hij een waardeloze en ontrouwe schoft is, en daarmee geeft ze in hem opnieuw en opnieuw zowel nieuwe kracht aan zijn schuldgevoel (ze heeft gelijk! en het is terecht als ik onder haar tirades lijd!) en zijn gevoel van onschuld (wat tiert er raast ze toch, dat dwaze kind? heeft ze dan werkelijk niet de innerlijke kracht het te laten zitten en zich op de toekomst te storten?) - en zolang die twee momenten in leven zijn zwaait de pendule.
    Ach lezers, welk een schouwspel! Anaïs, tussen haat en liefde, heeft haar toekomst opgegeven om in het verleden te kunnen leven en het heden te haten; Marcel heeft Anaïs zijn verleden zwart laten kleuren en is zijn heden verloren en daarmee zijn toekomst. Als twee uurwerken die elkaar steeds opwinden zijn zij gedoemd tot in de eeuwigheid dezelfde paden van het reflectieve verdriet te bewandelen; de lezer zou ze haast een vroege dood kunnen wensen, maar zo zal het Lot wel niet in elkaar zitten. De Goden hebben het leed veel te zeer lief dan dat ze het vroegtijdig laten stoppen. Slechts wij mensen kunnen om Marcel en Anaïs, de ongelukkigen, huilen.
Zoals blijkt een inspirerend boek, Kierkegaards Enten/Eller (Of/Of): het zet aan tot diepe reflecties over de menselijke natuur en in het bijzonder ook over het menselijk leed. Aan de andere kant kunnen Kierkegaard en ik natuurlijk dit soort analyses geven zoveel als we willen, het blijven toch altijd ideaaltypische gedachtenspinsels. Echte mensen zijn daarentegen geen ideaaltypes, en zij kunnen zich door kritische reflectie op hun eigen denkpatronen, door het ontwikkelen van nieuwe interpretaties en door het leed te delen met anderen uit het soort denkcirkels bevrijden die Kierkegaard en ik proberen bloot te leggen.
    Het is het geval dat wij de mensen op twee manieren kunnen beschrijven: als fysische systemen die beheerst worden door de wetten van de natuur, of als handelende wezens met redenen en keuzemogelijkheden. Het probleem is dat we het niet allebei tegelijk kunnen: we kunnen niet iemand zien als een door de natuurwetten bestuurd systeem, en tegelijkertijd als een wezen met een vrije wil en morele verantwoordelijkheid die we om de redenen van zijn acties kunnen vragen. Stel nu dat je jezelf als fysisch systeem gaat beschouwen, alsof je een externe observator was: dan zou je dus niet meer over jezelf kunnen denken in termen van de keuzes die je moet maken. Denken we dit extreem, dan zou iemand die een volledige beschrijving van zichzelf als fysisch systeem heeft, geen keuzes meer kunnen maken. Door jezelf volledig te kennen, kan je jezelf niet meer zijn: je kan niet jezelf kennen en jezelf zijn tegelijkertijd. Dit is een vermaning tegen al te veel kenniszucht.
    Maar wat zei ik zojuist? Dat mensen geen ideaaltypen zijn, en zich dus altijd kritisch kunnen gaan richten op de denkcirkel waar ze in terecht zijn gekomen. Hoewel het misschien buitengewoon lastig is om die stap te maken, de mogelijkheid om lost te breken is toch altijd aanwezig. Zou een volledig inzicht in die denkbeweging, een visie van 'buitenaf' als het ware, - het soort inzicht dat analyses als de bovenstaande de lezer kunnen geven - zou een dergelijk inzicht er niet juist toe leiden dat de denkbeweging niet meer zomaar kan worden maken? Je bent die denkbeweging dan niet meer, omdat je je er extern toe verhoudt, en dus kan je hem in een ander licht gaan bezien en eruit los breken. Betekent dat dan niet dat indien je jezelf niet meer wilt zijn, je jezelf moet leren kennen?!
Back