Created: February 4, 2006
Last Changed: February 4, 2006
Placed: October 12, 2006
Er was eens een arme boer die hout ging sprokkelen in het bos. De zwoele warmte van de nazomer had ineens plaats gemaakt voor de regens en de felle koude van de herfst, zodat er nauwelijks een stuk droog hout te vinden was. Mismoedig liep de boer verder en verder het bos in, terwijl vanuit de kruinen van de bomen dikke waterdroppels op zijn gezicht en op zijn kleren vielen. Bij elke stap zakte hij weg in de modder, en waar hij ook keek, geen droog hout te vinden.
Doornat en rillend van de kou besefte de boer ineens dat het al ras donkerder werd en hij dus voort moest maken om nog voor het vallen van de nacht zijn boerderij weer te bereiken. Op zijn zoektocht was hij echter zo ver het bos in gedwaald, dat hij de weg terug niet precies meer kende.
"Ik zou mijn eigen voetstappen kunnen volgen," mompelde de boer, "maar ik ben zo vaak heen en weer gekronkeld dat dat nooit de snelste weg naar huis kan zijn. Als ik nu eens recht naar het westen loop, de ondergaande zon tegemoet, dan moet ik vanzelf op de weg uitkomen die naar mijn vrouw en kinderen leidt. En wie weet, misschien kom in onderweg nog wel wat droge takken tegen."
Aldus ging de boer op weg. Hoe langer hij liep, hoe harder het ging regenen, en hij moest zijn ogen bijna sluiten vanwege het water dat er steeds vanuit zijn haar in droop. Zo strompelde hij met half dichtgeknepen ogen door de schemering en merkte hij pas dat hij een vennetje in liep toen het te laat was. De boer viel languit in het water, en onmiddellijk zakten zijn handen en voeten weg in de modder op de bodem van het meertje. Paniekerig trok hij zijn armen los en stond op, maar tot zijn schrik waren zijn benen al tot boven de enkels in de blubber verdwenen. Hij probeerde eerst zijn linkerbeen uit de modder te trekken, toen zijn rechterbeen, maar tevergeefs: ze kwamen geen millimeter omhoog. Eerder leek het of hij steeds verder weg zakte.
"Help! Help!", schreeuwde de boer uit volle borst door het woud. De regen viel harder dan ooit, pijnlijke striemen op zijn blote huid. Het dichtstbijzijnde huis was nog zeker een half uur lopen, en slechts zelden kwam er iemand in dit gedeelte van het bos. Tranen liepen over de wangen van de boer. "Help!", riep hij nogmaals, maar alleen het roffelen van de regendruppels op de bladeren van de bomen gaf hem antwoord. "Mijn arme vrouw," dacht de boer, "en mijn kinderen - wat moet er nu van hen worden?"
Maar juist op dat moment sprak een stem hem toe vanaf de waterkant. "Vrees niet, goede man, uw redding is nabij." Verbaasd keek de boer op, en zag een vrouw staan in een wit gewaad, onaangeraakt door de regen, met lang blond haar dat tot haar middel viel, en een zilveren toverstaf in haar hand. De tovenares - want dat was ze - glimlachte hem bemoedigend toe en zwaaide toen met haar staf. Onmiddellijk kwam de boer omhoog, alsof een onzichtbare hand hem optilde, en even later stond hij weer veilig op de kant. "Nu kunt u uw tocht naar huis veilig voortzetten," sprak de vrouw, en het leek al alsof ze zich om wilde draaien om weg te lopen. Maar de boer liet zich op zijn knieën vallen en kuste vol dankbaarheid de zoom van haar gewaad.
"Vrouwe, hoe kan ik u ooit danken voor deze gunst? Alstublieft, zegt u wat u van mij wilt hebben en zo ik het krijgen kan, dan geef ik het u!"
Maar de tovenares lachte alleen maar en zei: "Je hoeft mij niets te geven, goede man. Met liefde heb ik u gered."
De boer echter wilde zijn dankbaarheid tonen, en sprak nogmaals. "Vrouwe, u heeft mij het leven geschonken dat ik kwijt meende te zijn. Vraagt u aan mij toch een gunst, opdat ik uiting kan geven aan mijn dankbaarheid."
Toen verscheen er een geamuseerde blik in de ogen van de vrouw, en zij sprak aldus tot de boer: "Goed, wanneer u er op staat mij een gunst te verlenen, dan zal ik u om een gunst vragen. Maar niet nu - in de toekomst kom ik tot u op een moment dat ik hulp nodig heb, en dan zult u de kans hebben om de rekening te vereffenen. Knoop dit echter goed in uw oren: ik ben een tovenares en kan vele vormen aannemen, van mensen en van dieren. Wanneer ik bij u kom, zult u mij niet herkennen."
"In welke vorm u ook komt, ik zal klaar staan om u te helpen!", antwoordde de boer. En nauwelijks had hij die woorden gezegd of de vrouw in de witte jurk was verdwenen, en stond hij alleen in het natte bos. Zo snel als zijn benen hem dragen konden liep hij terug naar huis, waar zijn vrouw en zijn kinderen op hem wachtten.
Maanden gingen voorbij, en het najaar werd winter, en de winter werd lente, en de lente werd zomer, maar van de tovenares hoorde de boer niets meer. Toen kwam er een dag dat hij opnieuw het bos betrad. Nauwelijks was hij van de weg afgeweken en had hij zich tussen de bomen gewaagd, of hij zag een ree staan, vlak voor hem. Het vreemdste was dat het hertje niet wegvluchtte zodra het hem zag, maar heel stil en rustig bleef staan en hem met een smekende blik aankeek. De boer verwonderde zich, totdat hij zag dat één van de voorpoten van het dier vol bloed zat. Voorzichtig knielde hij op de grond, en het ree stak haar pootje naar voren zodat de boer kon zien dat het kennelijk door een wild beest was opengehaald.
"Geen enkel dier zou zo gemakkelijk hulp vragen aan een mens," schoot het door het hoofd van de boer. "Dit hert is natuurlijk de tovenares, en dit is mijn kans om te tonen hoe dankbaar ik ben!" En dus verbond hij de wond van het hert, en dagenlang kwam hij terug naar het bos om het dier eten te geven en het verband om de poot te verversen. Op een dag was het hertje volledig genezen.
"Je bent weer helemaal beter," zei de boer. "Ga het bos maar weer in, en kijk in het vervolg beter uit voor vossen en wezels!" Het hertje likte hem dankbaar over zijn gezicht, en draaide zich toen om om het bos in te springen.
"Wacht!", riep de boer haar achterna. "Jij was toch de tovenares, nietwaar?" Maar het hertje keek hem niet-begrijpend aan, en liep weg.
In de jaren die volgden hielp de boer nog vele malen een dier, en telkens vroeg hij na afloop of het de tovenares was - maar telkens keek het dier hem aan zonder te begrijpen wat hij zei, en van de tovenares vernam de boer niets.
Zo gingen de jaren voorbij, en zijn kinderen werden groter en hielpen hem op het land, en de seizoenen wisselden elkaar af, en de wereld ging haar gang zoals zij dat altijd gedaan had. Toen kwam er een dag dat er een vreemde jongeling bij de boer aanklopte. Het was een donkere en stormachtige nacht, en iedereen had zijn luiken gesloten en zijn deur vergrendeld. Er waarden namelijk in die tijd rovers door het gebied die het voorzien hadden op afgelegen boerderijen, en de hertog had hen nog niet te pakken gekregen. Dus waren alle boeren extra voorzichtig, en wantrouwend tegenover vreemdelingen.
"Laat niemand binnen!", waarschuwde de vrouw van de boer zodra zij het geklop hoorde. "Op een nacht als deze gaan alleen rovers en bandieten naar buiten."
"Je hebt helemaal gelijk, schat," zei de boer. "We kunnen het beste gewoon in bed blijven liggen en wachten tot de persoon verdwenen is. Hij zal met dit noodweer er toch wel snel genoeg van krijgen."
Dus bleven de boer en zijn vrouw stil liggen, onder de dekens, in de hoop dat de ongenode gast aan hun huis voorbij zou gaan. Nogmaals werd er op de deur geklopt, luid en indringend.
"Maar stel nu eens dat het iets heel belangrijks is?", vroeg de boer aan zijn vrouw. "Misschien is het boer Jansen, omdat de weeën van zijn vrouw eerder zijn begonnen en hij mij nodig heeft om de dokter te gaan halen?"
"Doe niet zo mal. Ze is pas in haar zevende maand, en bovendien, waarom zou hij dan niet zelf de dokter gaan halen?"
Maar de zaak liet de boer niet los. "Stel nu eens dat Jansen is overvallen door bandieten, en uit zijn huis is gejaagd? Dan zouden we hem toch niet buiten kunnen laten staan, zeker niet als zijn vrouw al in haar zevende maand is."
"Bedenk toch niet van die rare dingen," antwoordde zijn vrouw. "Laten we toch gewoon proberen te slapen."
Juist toen ze dat gezegd had werd er nogmaals op de deur geklopt, langer en harder nog dan de vorige keer. "Ik ga toch even kijken," zei de boer. "Je weet maar nooit."
En hij stond op, trok zijn pantoffels aan, ontstak een kaars en liep zachtjes naar de deur toe. In deze deur was een klein luikje, dat de boer opende zodat hij naar buiten kon kijken. Daar stond een jongeman, een jaar of twintig, helemaal doorweekt. Zijn half-lange haar hing in slierten waarvan kleine stroompjes water afdropen langs zijn gezicht, en hij rilde van de kou. Met een smekende blik keek hij de boer aan, terwijl hij zei: "Beste heer, zou ik u mogen verzoeken om een arme reiziger onderdak te bieden? Ik werd op de weg overvallen door een groep struikrovers, en zonder geld en zonder paard in deze afschuwelijke storm achtergelaten. Ik ben ten einde raad, en smeek u om een plaats waar ik kan overnachten."
Even aarzelde de boer. "Ja, ik zou u graag geloven en u binnen laten," antwoordde hij toen, "maar wie zegt mij dat u niet bij die rovers hoort die u zo-even noemde? Ik moet ook aan mijn eigen veiligheid en die van mijn kinderen denken."
"Alstublieft?", smeekte de jongeling. "Ik kan niet bewijzen dat ik te goeder trouw ben, maar vanuit het diepst van mijn hart vraag ik u deze gunst - laat mij alstublieft ergens slapen waar het droog is, al is het maar in de stal."
Ondanks deze smeekbede zou de boer hem zeker hebben weggezonden, als het woord 'gunst' niet een oude herinnering bij hem had opgeroepen. Hij staarde de jonge man een tijdlang aan, en meende in de trekken van zijn gelaat inderdaad het gezicht van de tovenares te ontdekken. Het moest haar zijn - wie anders zou zich met dit weer op de weg wagen dan een fee? Zijn belofte indachtig opende hij de deur: "Komt u binnen," sprak hij, en de jongeling betrad het huis.
De boer stookte de kooltjes in de open haard op, zodat de jongen zich kon warmen. Met stro en een aantal dekens maakte hij voor hem een warme en zachte slaapplaats, en hij gaf hem zelfs wat er over was gebleven van het avondmaal te eten. De jongeling was hem zeer dankbaar, en sliep al snel in.
Toen de boer zich terug in bed liet glijden, was zijn vrouw over het gebeurde geheel niet te spreken. "Waarschijnlijk gaat hij ons zo dadelijk in onze slaap de strot doorsnijden," verweet zij haar man. "Of hij opent de voordeur zodat zijn kameraden alles leeg kunnen roven. Hoe heb je hem binnen kunnen laten?"
Maar de boer, die zijn vrouw nooit over de tovenares had verteld, zei alleen maar: "Soms moet je de mensen gewoon vertrouwen." En met die woorden viel hij in slaap.
De volgende ochtend waren hun kelen niet doorgesneden, en was de woning niet leeg geroofd. De jongeling bedankte zijn weldoener uitvoerig voor de verleende gastvrijheid, en daar het weer was opgeklaard ging hij in alle vroegte weer op pad om de grote stad - waar hij vrienden zei te hebben - nog voor de avond te bereiken. Juist toen hij het erf van de boerderij verliet kwam de boer achter hem aangerend.
"Ik kan u toch niet laten gaan zonder het te vragen," verontschuldigde de boer zich. "Ik moet het zeker weten. Bent u de tovenares?"
Bevreemd keek de jongen hem aan. "Beste man, ik weet niet waar u het over heeft. Met magische krachten heb ik mij nooit ingelaten, en een vrouw ben ik ook niet."
"Ach, vergeeft u mij, ik weet ook niet waar ik het over heb," sprak de boer, en draaide zich snel om.
In de jaren die volgden hielp de boer nog vele vreemdelingen en bekenden, steeds opnieuw denkend en hopend dat het de tovenares was die haar gunst kwam ophalen. En telkens vroeg hij degenen die hij net geholpen had of zij de tovenares waren, maar steeds keken ze hem slechts verbaasd aan.
Zo gingen de jaren voorbij, en zijn kinderen trouwden, en zijn oudste zoon nam de boerderij over, en er werden kleinkinderen geboren, en na een lang en mooi leven stierf zijn vrouw. De boer zelf was reeds jaren te oud om het zware werk op het land nog te verrichten, en hij voelde hoe ook voor hem het einde weldra hier zou zijn. Wel nog stond hij zijn zoon met raad bij, en ook anderen die bij hem om hulp kwamen vragen deden dat nooit vergeefs. Al jaren geleden was hij gestopt met de mensen die hij hielp te vragen of zij de tovenares waren; slechts zelden dacht hij nog aan haar. Maar diep van binnen drukte de last van de belofte die hij nooit had ingewilligd nog op zijn hart.
Zo gebeurde het dat de boer op een warme nazomermiddag lag te slapen in een leunstoel voor de boerderij van zijn zoon. Plotseling kwam een gestalte tussen hem en de zon. De boer opende zijn ogen, en keek recht in het gezicht van de tovenares, die nog altijd even jong was als die herfstdag een half leven geleden.
"Ach," fluisterde de boer, "eindelijk bent u dan gekomen om de gunst die u nog van mij te goed heeft in ontvangst te nemen. U had beter eerder kunnen komen; de krachten hebben mijn lichaam al bijna verlaten, en mijn geest is te vermoeid om nog helder te kunnen denken."
"Ik ben gekomen om u te vertellen dat ik al die jaren geen passende beloning heb kunnen bedenken, en dat ik er van af zal zien om u in de toekomst nog te komen storen." De stem van de tovenares klonk als het geritsel van de wind, en haar blonde haar scheen zo fel als de zon.
"Moet ik dan werkelijk sterven terwijl ik nog altijd in uw schuld sta?", mompelde de boer, terwijl hij weer in zijn slaap leek terug te zakken. "Dankbaarheid wil zich uiten, en moet daarin niet beperkt worden."
De tovenares keek hem onderzoekend aan. "Sommigen zouden zeggen dat ik u al honderdmaal meer gevraagd heb dan ik ooit had gemogen, zelfs als ik al die jaren nooit het woord tot u gericht hebt."
Nu sloeg de boer de ogen weer op, en in zijn blik brandde een licht dat er deze dagen maar zelden te zien was. Ook zijn stem leek aan kracht te winnen, toen hij sprak: "Anderen zouden zeggen dat u mij honderdmaal beloond hebt, terwijl ik het toch was die u wilde belonen! Nu moet ik u honderdmaal dankbaar zijn, en niets kan ik doen om het aan u te tonen."
"Maar hoe had u uw dankbaarheid voor het leven dat ik u gered heb beter kunnen tonen dan op de manier die u gedaan heeft?", vroeg de tovenares en deed een stap dichter naar de boer toe.
Deze bleef haar strak aankijken, en dacht even na. Toen verscheen er een glimlach op zijn gezicht, zo vredig als nog nooit iemand hem gezien had. "Nee," sprak hij, "beter had ik het niet kunnen doen. Beter had het niet gekund."
Met die woorden liet hij zich weer diep in de leunstoel zakken en sloot zijn ogen. En de tovenares boog zich voorover en kuste hem op zijn voorhoofd. Toen draaide zij zich om en verdween; en de boer, met de vredige glimlach op zijn gelaat, baadde in het gouden licht van de zon en ademde niet meer.